| 21273 |
meester |
meester:
mɛstər (K314p Kwaadmechelen),
schoolmeester:
schóólméstər (K314p Kwaadmechelen)
|
(school)meester [RND] || onderwijzer; Hoe werd voor de 2e Wereldoorlog een onderwijzer van de lagere school genoemd? [DC 48 (1973)]
III-3-1
|
| 33337 |
meid, dienstmeid |
meisje:
māsǝ (K314p Kwaadmechelen)
|
Meid is een noordelijke vorm, een samentrekking uit maged, maagd. Kok en keukense slaan op de keukenmeid. Dienstbode is een expansie uit de (Noord-)Nederlandse standaardtaal. [L 1, a-m; L 1u, 156; L 38, 10; RND 118; R 12, 30; S 6 en 23; Wi 6; monogr.]
I-6
|
| 24582 |
meidoorn |
haagdoorn:
zie ook ZND01, a-m en ZND24, 039b, apart ingevoerd
hougdoorn (K314p Kwaadmechelen),
meidoorn:
zie ook ZND01, a-m en ZND24, 039b, apart ingevoerd
maaidoorn (K314p Kwaadmechelen)
|
haag- of meidoorn, met rode bloemen [ZND 24 (1937)] || haag- of meidoorn, met witte bloemen [ZND 24 (1937)]
III-4-3
|
| 24331 |
meikever |
meikever:
IPA
mɛkevər (K314p Kwaadmechelen),
mulder:
IPA
moͅlə (K314p Kwaadmechelen),
møldər (K314p Kwaadmechelen)
|
Hoe noemt u de meikever: een soort kever, 24-30mm lang; met dekschild, de poten en sprieten zijn bruinrood, de kop en het borststuk zwart met op de onderzijde een dichte witte beharing; de buiksegmenten zijn zwart met aan elke zijde een opvallende, helwit [N 83 (1981)] || Hoe noemt u het herhaalde malen de vleugels bewegen voordat hij opvliegt, gezegd van een meikever (geld tellen) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 20309 |
meisje |
meisje:
maschke (K314p Kwaadmechelen),
maske (K314p Kwaadmechelen)
|
meisje [ZND 11 (1925)]
III-2-2
|
| 18622 |
meisjesmuts met afhangende strook |
kapmuts:
kapmuts (K314p Kwaadmechelen)
|
meisjesmuts die nauw om het hoofd sluit en met een strook afhangt tot op de schouders [kaaper, kappelin, kapmöts] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18637 |
meisjespantalon met kanten pijpen |
kanten broek:
kān`əbruk (K314p Kwaadmechelen)
|
meisjespantalon (vero) met kanten pijpen die tot onder de knieën reiken [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 34454 |
mekkeren |
bleten:
blē̜ʔǝ (K314p Kwaadmechelen)
|
Geluid voortbrengen, gezegd van de geit. [N 19, 76b; monogr.]
I-12
|
| 22800 |
melden (kaartterm) |
afbieden:
mekander afbieden (K314p Kwaadmechelen),
melden:
?
ik mel 75 (K314p Kwaadmechelen)
|
Melden. (in welke betekenis wordt dat woord gebruikt? Geef de uitdrukking waarin het voorkomt, b.v. bij het kaartspelen, enz.). [ZND 38 (1942)]
III-3-2
|
| 33294 |
melganzevoet |
mel:
męl (K314p Kwaadmechelen)
|
Chenopodium album L. Zeer algemeen voorkomend onkruid op braakliggend land en bouwland, vooral bij sterke bemesting, en met name ook waar pulpkuilen gestaan hebben. Het heeft witte bloemtrosjes, die van juli tot de herfst bloeien, en bladeren die van boven dof en van onder wit-melig zijn. De hoogte varieert van 15 tot 120 cm. [JG 1a, 1b; A 60A, 83; monogr.]
I-5
|