| 24378 |
slang |
slang:
IPA
slaŋ (K314p Kwaadmechelen)
|
Hoe noemt u het dier met een langgerekt, rolrond, door schubben bedekt lichaam zonder ledematen; het beweegt zich voort door zijn lichaam te krommen (slang, serpent) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 20647 |
slappe koffie |
durbus:
Syst. IPA
dø̞rbø̞s (K314p Kwaadmechelen),
zwadder:
Syst. IPA
zwádər (K314p Kwaadmechelen)
|
Slappe koffie (lierie, loerie, zwadder, zwoelie, poelie, poelespaat, poelieprats, laarie, paalie, pèùjt, merriezèèjk?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 18411 |
slappe vilten hoed |
deukhoed:
deuk(hoed) (K314p Kwaadmechelen)
|
hoed, slappe, vilten ~ met deuk [lösjhood, scheurhood] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 25216 |
slecht dragend ijs |
voos ijs:
vuəs ēͅs (K314p Kwaadmechelen)
|
slecht dragend ijs [papieren zolder] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 33751 |
slecht gesneden hengst |
piet:
pit (K314p Kwaadmechelen),
pīt (K314p Kwaadmechelen)
|
Bij de piet is slechts één teelbal uitgesneden; men kan daarom spreken van een halfgelubde hengst. Bij de klophengst zijn één of beide zaadballen niet uit de buikholte ingedaald; hij mag niet voor de kweek gebruikt worden, omdat dit erfelijk is, en wordt door het verbrijzelen der teelballen met een houten hamer ongeschikt gemaakt tot de voortteling. Wie veel fokmerries bezit, gebruikt wel eens een klophengst om uit te proberen of de merries hengstig zijn en alzo de kostbare dekhengsten te sparen. [JG 1a, 1b; N 8, 20, 61a en 61b; monogr.]
I-9
|
| 33828 |
slecht van bouw |
hol:
hūl (K314p Kwaadmechelen)
|
De antwoorden van de correspondenten doelen vooral op een hol paard met ingevallen flanken en uitstekende heupen. Vgl. het lemma ''harmonisch van bouw'' (4.3.1). [N 8, 62k, 62l en 78a]
I-9
|
| 25152 |
slecht weer, hondenweer |
gemeen weer:
gəmàn (K314p Kwaadmechelen),
ruw (weer):
rɛəf (K314p Kwaadmechelen)
|
ruw en regenachtig, gezegd van het weer [lobbig, schouw] [N 81 (1980)] || slecht, gezegd van het weer [skeut, vut] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 24243 |
slechtvalk |
grote klamper:
doorgaans Frings, soms eigen spelling
gruəʔə klamʔər (K314p Kwaadmechelen)
|
valk: slechtvalk (40 grote uitgave van boomvalk [083]; alleen op trek en s winters; vangt grote vogels hoog in de lucht; zeldzaam [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 22344 |
slee |
ijsstoel:
eistoeəl (K314p Kwaadmechelen),
slede:
slet (K314p Kwaadmechelen),
slee:
een slee (K314p Kwaadmechelen)
|
Een slede (waarmee de kinderen op het ijs rijden). [ZND 31 (1939)]
III-3-2
|
| 24552 |
sleedoorn |
sleedoorn:
IPA, omgesp.
sliʔədar (K314p Kwaadmechelen),
sliʔədarəs (K314p Kwaadmechelen)
|
De doornachtige heester met langwerpige bladeren en harde blauwe wrange vruchten (sleedoorn, sleepruin, sleien, trekkebek, bels, slendoorn, slien, biels). [N 82 (1981)] || De vrucht van de sleedoorn (snijer, slien, slekerbes, wilde pruim). [N 82 (1981)]
III-4-3
|