| 24169 |
hop |
hop:
Frings; half lang als lang omgespeld
oͅp (L422p Lanklaar)
|
hop (28 zeer zeldzame zomervogel met opvallende vouwkuif; roep [hoep-hoep] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 32926 |
hopen spreiden |
spreiden:
spręi̯ǝ (L422p Lanklaar)
|
Het uiteengooien van de middelgrote soort hopen. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: hopen. ø...ŋ wijst op identieke antwoorden als in het lemma ''zwaden spreiden''.' [N 14, 109]
I-3
|
| 17733 |
horen |
horen:
hy(3)̄ə:rə (L422p Lanklaar)
|
horen [N 10b (1961)]
III-1-1
|
| 33456 |
horizontale sluitbalk van een poort |
grindelaar:
grendǝlē̜ ̞r (L422p Lanklaar),
knevel:
knēvǝl (L422p Lanklaar)
|
Een losse balk, soms een stevige stok, die horizontaal wordt aangebracht achter de beide poortvleugels door hem achter haken te leggen. Zo is de gehele poort gesloten. Deze afsluiting bevindt zich meestal ter halve hoogte. Door functionele overeenkomst kunnen sommige benamingen ook in gebruik zijn voor andere afsluitingen. [N 5A, 54a; N 4A, 48; monogr.]
I-6
|
| 18233 |
horloge |
horloge:
horlooësjë (L422p Lanklaar),
orlūəžə (L422p Lanklaar)
|
horloge [ZND 01 (1922)], [ZND m]
III-1-3
|
| 18149 |
horrelvoet |
paardsvoet:
paardsvoet (L422p Lanklaar)
|
Misvormde voet (hompelvoet, horrelvoet, paardevoet, klompvoet). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 17847 |
hotsen |
rammelen:
rammëlë (L422p Lanklaar),
schokken:
schokken (L422p Lanklaar)
|
hotsen [ZND 01 (1922)] || Hotsen: schokkend, stotend vooruitgaan (schokkelen, hotsen, hotselen, hobbelen, stokken) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 17812 |
houden |
houden:
awə (L422p Lanklaar),
hauwe (L422p Lanklaar)
|
houden [ZND A1 (1940sq)] || houden, houwen [ZND 01 (1922)]
III-1-2
|
| 21459 |
houden van |
gaarne hebben:
gêr hèbbë (L422p Lanklaar),
liefhebben:
leef hèbbë (L422p Lanklaar)
|
Liefhebben. [ZND 01 (1922)]
III-3-1
|
| 34216 |
houder van slachtvee |
vetweider:
vɛtwɛi̯jǝr (L422p Lanklaar),
weidenboer:
wǭi̯jbūǝr (L422p Lanklaar)
|
[N 3A, 77d]
I-11
|