| 19347 |
tevreden; tevredenheid |
content:
kontent (K317p Leopoldsburg)
|
tevredenheid, genoegen [trek, plezier, goesting, snoel] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21540 |
tien centiem |
knab:
minder gebruikt
nə knɛp (K317p Leopoldsburg),
sol:
veel gebruikt
ən soͅl (K317p Leopoldsburg),
stuk van tien centimes:
een stuk van tien centimes (K317p Leopoldsburg),
tien centiemen:
10 centimen (K317p Leopoldsburg)
|
Bestaat er een dialectnaam voor een stuk van 10 centimes? [ZND 28 (1938)] || een muntstuk van 10 centimes (in België) [s(j)oe, sol, brak, knap, klomp] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 33423 |
tiendschuur |
tiendschuur:
tintsxȳr (K317p Leopoldsburg)
|
Het gebouw waarin het tiendgewas werd opgeborgen. In sommige streken werd het tiendgewas vroeger centraal in een schuur van één boerderij opgeslagen, deze boerderij kreeg dan de naam tiendhof (bijv. in Q 33). Na de Franse tijd (¬± 1790) werd het tiendgewas afgeschaft. In sommige boerderijen ontbrak de tiendschuur; het tiendgewas werd opgeslagen waar ruimte was, bijv. in het bakhuis (L 360), het kafkot (Q 158), de tast (P 44, 48, 49, 55, 222), de schuur (P 51) of de motsemschelf (Q 178, 179). De bij het lemma gevoegde kaart is een historische kaart; ze bevat de registratie van de plaatsen waar men zich op het tijdstip van de enqu√™te, dus in het begin van de jaren zestig, nog herinnerde dat er schuren naar de tienden vernoemd werden. [N 5A, 66b; monogr.]
I-6
|
| 22230 |
tijdverdrijf |
tijdverdrijf:
taaidverdraaif (K317p Leopoldsburg),
tɛjtvərdrɛjf (K317p Leopoldsburg)
|
Duivenhouden is een ... (iets dat gedaan wordt om de tijd te korten). [ZND 28 (1938)]
III-3-2
|
| 27253 |
timmerman |
schrijnwerker:
schrijnwerker (K317p Leopoldsburg),
timmerman:
temǝrman (K317p Leopoldsburg)
|
Ambachtsman die het timmeren als beroep uitoefent. Tot zijn werkzaamheden behoren het vervaardigen van dakconstructies en balklagen in huizen en het maken van trappen, kozijnen, ramen en deuren. Als aanduiding voor de vakman wordt zowel de benaming timmerman als schrijn(en)werker gebruikt. Schrijnwerker is meer verspreid in Belgisch Limburg, schrijnenwerker in het zuiden van Nederlands Limburg. Wanneer er een onderscheid tussen timmerman en schrijn(en)werker wordt gemaakt, dan duidt de eerste term eerder een vakman aan die timmerwerk in de bouw verricht. Dit is onder meer het geval in Ottersum (L 163), Posterholt (L 387), Geulle (Q 18) en Bilzen (Q 83). De schrijnwerker richt zich dan vooral op het maken van trappen, deuren en ramen. Het woordtype schrijner, dat in het zuidoostelijke deel van het gebied gebruikelijk is, is een algemene benaming voor de timmerman. De vakman die timmerwerk op de bouw verricht, wordt daar ɛbouwschrijnerɛ genoemd.' [N 55, 164a; N 55, 165; RND 6; L 34, 19a; L B1, 115; monogr.]
II-12
|
| 31971 |
timmermansduimstok |
dubbele meter:
dubbele meter (K317p Leopoldsburg)
|
De opvouwbare maatstok waarvan de delen ieder twintig of vijfentwintig cm lang zijn. De timmermansduimstok heeft dezelfde vorm als de gewone duimstok, maar is twee meter lang. [N 53, 184b]
II-12
|
| 31950 |
timmermanshamer |
bankhamer:
baŋkhǭmǝr (K317p Leopoldsburg)
|
De gewone, lichte hamer met een ijzeren kop die uitloopt in een pin. Met de hamerpin worden kleine spijkers in het hout geslagen tot ze voldoende houvast hebben. Daarna slaat men verder met de hamerbaan. Zie ook afb. 86. [N 53, 126a]
II-12
|
| 31968 |
timmermanspotlood |
schrijnwerker(s)potlood:
schrijnwerker(s)potlood (K317p Leopoldsburg)
|
Fors potlood met ovale doorsnede en brede, platte stift, dat door timmerlui wordt gebruikt om maten af te schrijven. Zie ook afb. 97. [N 53, 182a; monogr.]
II-12
|
| 24255 |
tochtig |
lopig:
luǝpǝx (K317p Leopoldsburg),
willig:
welǝx (K317p Leopoldsburg)
|
Geslachtsdrift vertonend, gezegd van de koe. [N 3A, 29; N C, 4a; JG 1a, 1b; Gwn V, 3; monogr.; add. uit N 3A, 21; N 3A, 9b]
I-11
|
| 21565 |
toegangsprijs |
entree (<fr.):
entree (K317p Leopoldsburg)
|
de prijs die men moet betalen om ergens binnen te komen [entree, inkom, inkomgeld, inkomprijs] [N 89 (1982)]
III-3-1
|