| 33789 |
achterhand van het paard |
achterlijf:
axtǝrlɛ̄f (K317p Leopoldsburg)
|
Het achtergestel van een paard, in tegenstelling met de voorhand of het voorste deel (3.1.3), en het middendeel of de middenhand (3.3.5). [N 8, 13 en 32.9]
I-9
|
| 19445 |
achteruit |
achter:
axtǝr (K317p Leopoldsburg),
achteruit:
achterət (K317p Leopoldsburg),
hup-terug:
hyp tryx (K317p Leopoldsburg)
|
Open plaats achter een huis (dam, werft, bleek, achteruit, plaats) [N 79 (1979)] || Voermansroep om het paard achteruit te doen gaan. [JG 1b; N 8, 95l en 96; L B 2, 254; L 36, 81b; monogr.]
I-10, III-2-1
|
| 17951 |
achteruitgaan |
achteruitgaan:
achterət gaon (K317p Leopoldsburg),
deinzen:
B.v. ej dinsde achteruiejt.
deͅəjnzə (K317p Leopoldsburg)
|
Achteruitgaan (wijken, deinzen). [N 84 (1981)] || achteruitgaan, wijken, deinzen [ZND 33 (1940)]
III-1-2
|
| 33854 |
achteruittrappen |
achteruittrappen:
axtǝrø̜trapǝ (K317p Leopoldsburg),
slagen:
slǭgǝ (K317p Leopoldsburg),
stampen:
stampǝ (K317p Leopoldsburg)
|
Met één of beide achterpoten achterwaarts trappen. [JG 1a; N 8, 70a en 72]
I-9
|
| 34584 |
achterwand |
schot:
sxǫt (K317p Leopoldsburg)
|
De afneembare achterplank van de kar of wagen. Deze plank werd tussen de twee zijwanden geschoven om de laadruimte af te sluiten en kon tijdens het lossen weggenomen worden. Voor de betekenisontwikkelingen van de verschillende woordtypes, zie de toelichting bij het lemma voorwand. Op de kaart zijn voor Belgisch Limburg alleen de gegevens uit de mondelinge enquête opgenomen. [N 17, 30a + 36 + 48; N G, 61c; JG 1a; JG 1b; JG 2b; JG 2c; A 26, 1a; Lu 4, 1a; L 33, 4; L 40, 56; monogr.]
I-13
|
| 21139 |
achterwiel van een fiets |
achterwiel:
achterwiel (K317p Leopoldsburg)
|
het achterwiel van een fiets [riks] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 33470 |
afdakje boven de poort |
poortdakje:
pōrdakskǝ (K317p Leopoldsburg)
|
Het kleine afdakje dat op een muur is geconstrueerd boven de poort. [N 4A, 43b]
I-6
|
| 21448 |
afdingen |
afbieden:
afbieden (K317p Leopoldsburg)
|
proberen minder te moeten betalen dan de gevraagde prijs [afdingen, afpingelen, afpekelen, penkeren, prengelen, pingelen] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 34247 |
afgeroomde melk |
aflaat:
aflaǝt (K317p Leopoldsburg),
fluitjesmelk:
flø̄ǝi̯tjǝsmɛlk (K317p Leopoldsburg)
|
De vloeistof die overblijft als de melk ontroomd is. [A 7, 15 en 17; A 23, 4a; L 27, 29; JG 1a, 1b; L 1u, 103; Lu 1, 3 en 4a; monogr.]
I-11
|
| 31719 |
afgezaagd kantstuk |
spekhout:
spɛkhāt (K317p Leopoldsburg)
|
Het in de lengterichting afgezaagde, aan één zijde nog met schors bedekte zijdeel van een plank. Zie ook de lemmata ɛschaaldeelɛ en ɛwankantɛ.' [N 53, 29c; monogr.]
II-12
|