| 24767 |
ratelaar |
ratel:
rhinanthus
raatel (L289b Leuken)
|
ratelaar
III-4-3
|
| 24711 |
ratelpopulier |
rijerbeel:
ri-jjerbaele (L289b Leuken)
|
trilpopulier
III-4-3
|
| 19153 |
razen en gevaarlijk |
sakkeren:
sakkere (L289b Leuken)
|
razen
III-1-4
|
| 32504 |
rechtopstaande wissen |
staafhout:
stāfhǫwt (L289b Leuken),
staven:
stē̜f (L289b Leuken),
stikselen:
steksǝlǝ (L289b Leuken)
|
De wissen die het geraamte van het opstaande gedeelte van de mand vormen. [N 40, 50; monogr.]
II-12
|
| 17616 |
rechtstaande oren |
spitsoortjes:
spitsêûrkes (L289b Leuken)
|
oor: rechtstaande oren [fikoorkes] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 18961 |
rechtvaardig |
rechtvaardig:
rechtvieërdig (L289b Leuken)
|
rechtvaardig
III-1-4
|
| 25171 |
regen (alg.) |
regen:
raengel (L289b Leuken),
rengel (L289b Leuken),
(zo wordt het ook genoemd).
raegen (L289b Leuken)
|
regen || regen in het algemeen [rengel, majem] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25181 |
regenboog |
regenboog:
Nb. "e"van rengel.... = franse père.
rengelboog (L289b Leuken)
|
regenboog [weerteken] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25238 |
regenbuitje |
bijsje:
bieske (L289b Leuken)
|
licht regenbuitje [smeer, bui, stoes, getsbui, bies, zauwke] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25183 |
regenen (alg.) |
regenen:
raegene (L289b Leuken),
raengele (L289b Leuken),
Nb. De "e"van reng.. = franse père.
rengele (L289b Leuken)
|
regenen || regenen [sausen, majemen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|