| 24651 |
klokje (alg.) |
weiklokje:
campanula patula
wejklökske (L211p Leunen)
|
weideklokje
III-4-3
|
| 18230 |
klomp |
huifklomp:
hoefklompe (L211p Leunen),
klomp:
hoeëg klómpe (L211p Leunen),
klōmp (L211p Leunen)
|
Hoe noemt men de hiernaast afgebeelde houten voetbekleedsels ? (klompen) [DC 15 (1947)] || In het algemeen de benaming voor schoeisel dat is vervaardigd uit een uitgehold stuk hout. Er bestaan verschillende soorten klompen. Zie ook de lemmata ɛhoge klompɛ, ɛlage klompɛ etc.' [N 24, 70a; N 86, 46; A 15, 31b; L 36, 38; monogr.]
II-12, III-1-3
|
| 32352 |
klompenmaker |
klompenmaker:
klōmpǝmē̜kǝr (L211p Leunen)
|
De persoon die het ambacht van klompenmaker uitoefent. [N 97, 1; monogr.]
II-12
|
| 32448 |
klompriem |
klompenbandje:
klōmpǝbē̜ntjǝ (L211p Leunen),
tuigleer:
tȳxlē̜r (L211p Leunen)
|
Leren band die over de klompopening van de lage en halfhoge klomp wordt bevestigd om te zorgen dat men de klomp tijdens het lopen niet verliest. De klompriem werd doorgaans niet door de klompenmaker, maar door de handelaar of door de klant zelf aangebracht. Een leren band op de klomp spijkeren noemde men in Sint-Truiden (P 176): een klonk beslaan (ǝnǝ kluŋk˱ bǝslōn). [N 60, 214c; N 97, 143; monogr.]
II-12
|
| 18245 |
klompschoen |
bandjesklomp:
bendjes klómpe (L211p Leunen),
lage klomp:
lieëg klómpe (L211p Leunen)
|
Hoe noemt men deze voetbekleedsels, indien het bovengedeelte op de voet niet van hout, maar van leer is gemaakt ? [DC 15 (1947)]
III-1-3
|
| 32449 |
klompspijkertje |
klompennagel:
klōmpǝnāgǝl (L211p Leunen)
|
Kort spijkertje met brede, platte kop waarmee de klompenriem aan de klomp wordt vastgemaakt. [N 97, 144; monogr.]
II-12
|
| 20531 |
klonteren |
klonteren:
kloontere (L211p Leunen)
|
klonteren
III-2-3
|
| 19405 |
klopper, garde |
kloprijsje:
klopriēske (L211p Leunen),
rijsje:
Van dunne geschilde berketakjes maakte men vroeger een bundeltje en dit gebruikte men dan als garde
riēske (L211p Leunen)
|
soort garde || voorloper van de moderne garde, klopper
III-2-1
|
| 18120 |
kloven |
doorhouwen:
dørhǫwǝn (L211p Leunen)
|
Nadat het dier bestorven is, wordt het in twee delen verdeeld door het in de ruggegraat door te kappen. Soms laat men de ruggegraat aan één kant zitten en kapt men de ribben aan de andere kant los. Beide delen worden vervolgens apart verwerkt. [N 28, 89; Veldeke 32, 69; monogr.]
II-1
|
| 33675 |
kluit aarde |
kluit:
klyt (L211p Leunen),
klȳt (L211p Leunen)
|
[N 27, 36; S 18; R 3, 8; L 28, 8; L 28, 9; L 1a-m; L B2, 290; ALE 257; Vd.; monogr.]
I-8
|