| 18776 |
streng |
streen:
strēn (L211p Leunen)
|
Een streng garen, een gewonden en veelal ineengedraaide bundel waarin garen in de handel komt. De woordtypen lood, half lood, loodje en onsje duiden op een bepaalde hoeveelheid gewicht garen. [N 62, 56c; L 7, 58; L 28, 14; Gi 1.IV, 25; MW; S 36; monogr.]
II-7
|
| 19083 |
streng (bn.) |
streng:
streng (L211p Leunen)
|
streng (bijv. nw.) [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 18777 |
streng garen [cf. wld ii.7: 24-25] |
streen:
streen (L211p Leunen)
|
streng (garen) [SGV (1914)]
III-1-3
|
| 29140 |
strengen |
karklingels:
karklingels (L211p Leunen),
klingels:
kleŋǝls (L211p Leunen, ...
L211p Leunen),
repen:
rēi̯pǝ (L211p Leunen)
|
Aanvulling van het lemma strengen in wld I.10: kettingen of touwen waarmee een paard de kar of wagen trekt. [N 17, 26; N 5A II, 59c; monogr.] || Kettingen of touwen waarmee een paard de kar of wagen trekt. Het ene uiteinde ervan zit aan de trekhaken van het haam of van het borsttuig vast, het andere aan de voorste schei of aan een haak in de berrie van de kar of wagen. De benamingen voor strengen die uit touw vervaardigd zijn, werden achteraan geplaatst. Bij het woordtype strengen is niet altijd mogelijk uit te maken of de opgegeven dialectvariant enkelvoud of meervoud is. Het lemma Veldstrengen, dat zijn strengen waarmee een paard een akkerwerktuig voorttrekt, is al eerder behandeld in WLD I, afl. 2, p. 178. [JG 1a, 1b, 2a, 2b, 2c; N 13, 57, 58a en 58b]
I-10, I-13
|
| 32649 |
strijkbord, riester |
riester:
ristǝr (L211p Leunen)
|
Het strijkbord, riester of rooster is het op de ploegschaar volgend ijzeren (vroeger houten) blad, dat de grond die door kouter en schaar is losgesneden, omkeert en in de vorige voor schuift. Men zie ook de toelichting bij het lemma ploegschaar. [A 26, 6; Lu 4, 6; JG 1a + 1b; N 11, 31.I.a; N 11A, 85d + 87b + 88b + 89c; monogr.]
I-1
|
| 19666 |
strijken |
bègeln (d.):
būgele (L211p Leunen)
|
persend strijken
III-2-1
|
| 19442 |
strijkijzer |
persijzer:
pársiēzer (L211p Leunen),
strijkijzer:
striekiēzer (L211p Leunen)
|
strijkijzer || zwaar strijkijzer om te persen
III-2-1
|
| 22085 |
stro |
strooi:
stroi̯ (L211p Leunen)
|
Halmen van gedorst koren. De algemene benaming. Zie ook de toelichting bij paragraaf 6.4. [JG 1a, 1b, 2c; L 7, 60a; R [s], 6; S 36; Wi 4; monogr.; add. uit N 5, 83]
I-4
|
| 33126 |
stro binden |
binden:
bindǝ (L211p Leunen)
|
Het uitgedorste stro wordt tot bussels samengebonden.Vergelijk ook het lemma ''schoven binden'' (4.6.2). Opgaven van het type "bussels maken" zijn hier niet opgenomen; het zelfstandig naamwoord is in het lemma ''bussel uitgedorst stro'' (6.1.27) opgenomen. [N 14, 25 en 28; monogr.]
I-4
|
| 21093 |
stroef |
sleeuw:
slei tand (L211p Leunen),
stroef:
stroef (L211p Leunen)
|
sleeuwe tanden [SGV (1914)] || stroef (een ~ man) [SGV (1914)]
III-2-3, III-3-1
|