| 26668 |
rosmolen |
manege:
mǝnezi (K278p Lommel),
mange (fr.):
mənezi (K278p Lommel),
ps. omgespeld volgens Frings! (= koppel die versnelling geeft - 3 kampwielen).
mənezi* (K278p Lommel),
manège (fr.):
manēzi (K278p Lommel)
|
De oudste machine die voor het dorsen werd gebruikt. Een paard leverde hier de drijfkracht. Algemeen wordt onder manège een constructie verstaan bestaande uit een vertikale as die door een horizontale boom, waar een paard is voorgespannen, in beweging wordt gebracht. Door middel van een kardan-koppeling wordt die draaiende beweging doorgegeven aan een horizontale as die door de wand van de schuur naar een machine werd geleid en deze aandrijfkracht leverde. In dit geval wordt door de rosmolen een trommel aangedreven waarin de halmen gedorst werden. Vergelijk ook het lemma ''rosmolen'' in de aflevering over de molenaarsterminologie, wld II,3, blz. 163.' [N 14, 7; JG 1a, 1b; monogr.] || dorsmachine: draaiend wiel met boom dat door een trekpaard wordt voortgedreven om de dorsmachine te doen werken [N 14 (1962)] || Een molen die door een paard wordt aangedreven. Koning, spoorwiel en rondsel bevinden zich bij dit molentype onder het steenkoppel. De koning wordt aangedreven met behulp van een trekbalk. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel -ømolenŋ het lemma ɛmolenɛ.' [N D, 3]
I-4, I-7, II-3
|
| 33901 |
rotstraal |
rotstraal:
rǫtstrǫu̯ǝl (K278p Lommel)
|
Ziekte bestaande in een rotting van de hoornstraal van de hoef, vooral tengevolge van het onhygiënische omstandigheden op stal zoals het langdurig staan in vochtige mest en urine, waardoor de hoeven verweken. Uit de straalgroeve loopt een wit, stinkend vocht. Als de straallederhuid eveneens wordt aangetast, kan kreupelheid optreden. Zie ook het lemma ''straalkanker'' (7.31). Zie afbeelding 15.' [A 48A, 18; N 8, 90l; N 52, 32c; monogr.]
I-9
|
| 31060 |
roulette |
rolprik:
rolprik (K278p Lommel)
|
Instrument, bestaande uit een al of niet afgeschuind tandwieltje op een asje gemonteerd, waarmee men een sierkarteltje maakt op de zijkant van de hak of de zool. Zie afb. 59. [N 60, 125]
II-10
|
| 20244 |
rouw |
rouw:
rààw (K278p Lommel)
|
rouw
III-2-2
|
| 24066 |
rouw dragen |
in de rouw zijn:
in de rouw zijn (K278p Lommel)
|
Rouw dragen. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 20421 |
rouwbrief |
doodsbrief:
doodsbrief (K278p Lommel),
douĕtsbr"(e(f (K278p Lommel),
douətsbrĭĕf (K278p Lommel)
|
De rouwbrief. [N 96D (1989)] || doodsbrief || Rouwbrief.
III-2-2, III-3-3
|
| 20424 |
rouwdragen |
rouwdragen:
rààw drààgən (K278p Lommel)
|
rouw dragen
III-2-2
|
| 24065 |
rouwkrans |
kroon:
kroͅuən (K278p Lommel)
|
De krans die op de kist wordt gelegd [krants]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 20446 |
rouwsluier |
zwarte voile:
zwarte val (K278p Lommel)
|
een rouwsluier, voile, falie [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 20447 |
rouwsluier aan een hoed |
voile:
vual (K278p Lommel),
vwal (K278p Lommel)
|
rouwsluier(s) aan een hoed [N 25 (1964)]
III-2-2
|