e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Lozen

Overzicht

Gevonden: 668
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
rijden rijden: rijə (Lozen) rijden [ZND A2 (1940sq)] III-3-1
rijgen trakelen: trǭkǝlǝn (Lozen) Het voorlopig verbinden van een of twee delen aan elkaar met de rijgsteek, op tafel of op de hand. [N 59, 52b; N 59, 51a; N 59, 51b; N 62, 6; N 62, 7; L 1a-m; L 1u, 41; L B1, 75; Gi 1.IV, 19; MW; S 7; monogr.] II-7
rijksveldwachter bode: bōͅj (Lozen), garde (<fr.): gart (Lozen), veldwachter: veltšwaxtər (Lozen), ənə veltwaxtər (Lozen) een veldwachter [ZND B1 (1940sq)] III-3-1
rijp, rijmx ijzel: izəl (Lozen), rijm: riəm (Lozen) rijm, rijp [ZND B2 (1940sq)] III-4-4
rimpels rimpels: rømpəl (Lozen, ... ) een rimpel (op het voorhoofd) [ZND B1 (1940sq)] III-1-1
ring ring: renk (Lozen) ring [ZND A1 (1940sq)] III-1-3
ringen, randen verwijderen van peulvruchten ringen: rengen (Lozen), uitdoen: ūtdōn (Lozen), vimmen: vēͅmmə (Lozen) [ZND B2 (1940sq)] I-7
riool schoor: Van Dale: I. schor, schorre, (gew.) buitendijkse aanwas die alleen bij zeer hoog water onderloopt, dus begroeid is (tgov. onbegroeide, bij ieder tij onderlopende slikken onbedijkte aangeslibde kleibank (elders gors en kwelder geheten).  šūr (Lozen) een riool (onderaardse) [ZND B1 (1940sq)] III-3-1
roeien roeien: rujə (Lozen) roeien [ZND A2 (1940sq)] III-3-1
roep- en lokwoord voor de eend wiele, wiele, wiele: wilǝ, wilǝ, wilǝ (Lozen) [L 18, 2; L B2, 259b; GV 2, 2k; VC 14, 2r -r-; Vld.; N 19, 74, Q 111 add.; A 6, Q 36 add.; monogr.] I-12