| 21130 |
rijden |
rijden:
rijə (L316a Lozen)
|
rijden [ZND A2 (1940sq)]
III-3-1
|
| 28973 |
rijgen |
trakelen:
trǭkǝlǝn (L316a Lozen)
|
Het voorlopig verbinden van een of twee delen aan elkaar met de rijgsteek, op tafel of op de hand. [N 59, 52b; N 59, 51a; N 59, 51b; N 62, 6; N 62, 7; L 1a-m; L 1u, 41; L B1, 75; Gi 1.IV, 19; MW; S 7; monogr.]
II-7
|
| 21476 |
rijksveldwachter |
bode:
bōͅj (L316a Lozen),
garde (<fr.):
gart (L316a Lozen),
veldwachter:
veltšwaxtər (L316a Lozen),
ənə veltwaxtər (L316a Lozen)
|
een veldwachter [ZND B1 (1940sq)]
III-3-1
|
| 25186 |
rijp, rijmx |
ijzel:
izəl (L316a Lozen),
rijm:
riəm (L316a Lozen)
|
rijm, rijp [ZND B2 (1940sq)]
III-4-4
|
| 17599 |
rimpels |
rimpels:
rømpəl (L316a Lozen, ...
L316a Lozen)
|
een rimpel (op het voorhoofd) [ZND B1 (1940sq)]
III-1-1
|
| 18396 |
ring |
ring:
renk (L316a Lozen)
|
ring [ZND A1 (1940sq)]
III-1-3
|
| 33582 |
ringen, randen verwijderen van peulvruchten |
ringen:
rengen (L316a Lozen),
uitdoen:
ūtdōn (L316a Lozen),
vimmen:
vēͅmmə (L316a Lozen)
|
[ZND B2 (1940sq)]
I-7
|
| 21214 |
riool |
schoor:
Van Dale: I. schor, schorre, (gew.) buitendijkse aanwas die alleen bij zeer hoog water onderloopt, dus begroeid is (tgov. onbegroeide, bij ieder tij onderlopende slikken onbedijkte aangeslibde kleibank (elders gors en kwelder geheten).
šūr (L316a Lozen)
|
een riool (onderaardse) [ZND B1 (1940sq)]
III-3-1
|
| 21183 |
roeien |
roeien:
rujə (L316a Lozen)
|
roeien [ZND A2 (1940sq)]
III-3-1
|
| 34546 |
roep- en lokwoord voor de eend |
wiele, wiele, wiele:
wilǝ, wilǝ, wilǝ (L316a Lozen)
|
[L 18, 2; L B2, 259b; GV 2, 2k; VC 14, 2r -r-; Vld.; N 19, 74, Q 111 add.; A 6, Q 36 add.; monogr.]
I-12
|