32928 |
opper |
opper:
ǫpǝr (P051p Lummen)
|
De grootste soort hooihoop in het veld. [N 14, 112 en 111 add.; JG 1a, 1b, 2c; A 10, 20; A 16, 3b; A 42, 20b; L 38, 38b; monogr.]
I-3
|
19591 |
opscheplepel |
patattenlepel:
patatəlēpəl (P051p Lummen)
|
lepel, metalen ~; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
26401 |
opspie |
inspijen:
enspęjǝ (P051p Lummen)
|
De naaf van het molenrad met wiggen op de molenboom vastzetten. [Vds 66; Jan 72; Coe 60]
II-3
|
26763 |
opstaande randen van de vlikkenschop |
vlim:
vløm (P051p Lummen)
|
[N 18, 13]
II-4
|
33152 |
opstapelen van graanzakken |
op een hoop leggen:
up nǝn hup lęgǝ (P051p Lummen)
|
Zakken met graan op een hoop zetten. [L 27, 24]
I-4
|
33078 |
opsteken van de schoven |
opsteken:
ǫpstīǝ.kǝ (P051p Lummen)
|
Het op de oogstkar laden van de gedroogde schoven. Dit gebeurt door twee personen, de één, de opsteker (zie het lemma ''opsteker'', 5.1.4) steekt de schoven met een oogstgaffel van het hok naar de kar omhoog, waar de ander, de tasser (zie het lemma ''tasser op de wagen'', 5.1.5) de schoven aanneemt en in lagen (zie het lemma ''laag schoven op de wagen'', 5.1.7) op de oogstkar tast. Vergelijk ook het lemma ''hooi opladen'' (5.1.5) in aflevering I.3.' [JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
I-4
|
26249 |
optempelen |
op de tempel trekken:
op de tempel trekken (P051p Lummen)
|
De roeden of de molenas met behulp van de tempel optillen. In l 318 en l 321 werd dit werk altijd door de molenmeester (mø̄lǝmęjstǝr) maar nooit door de molenaar zelf gedaan. [N O, 35b]
II-3
|
17900 |
optillen |
heffen:
høfə (P051p Lummen),
omhoog heffen:
omhūXhøfə (P051p Lummen),
opheffen:
ophøfə (P051p Lummen)
|
heffen [ZND m] || optillen [RND]
III-1-2
|
26361 |
optrekken, opdraaien |
opdraaien:
ǫpdrɛ̄ǝn (P051p Lummen),
trekken:
trękǝ(n) (P051p Lummen)
|
De sluis openen met behulp van een hefboom of een winde. In het eerste geval spreekt men in het algemeen van optrekken, in het tweede geval van opdraaien of opendraaien. Volgens Coenen (pag. 47) gebeurde het opdraaien ɛs avonds, het afdraaien ɛs morgens. Zie ook het lemma ɛaflaten, afdraaienɛ.' [Vds 42; Jan 43; Coe 29; Grof 59; monogr.]
II-3
|
34000 |
optuigen |
(het) getuig opgooien:
t ˲gǝtø̜̄.x˱ ǫp˲gūi̯ǝ (P051p Lummen),
aandoen:
ǭ.ndū.n (P051p Lummen)
|
Een trekpaard van het nodige trektuig voorzien. Men zet het hoofdstel op het hoofd van het paard, plaatst het haam om zijn nek, legt het schoftzadel op zijn rug en doet het achterhaam aan. Tenslotte gespt men de verschillende delen aan elkaar. [JG 1b; N 8, 97a; monogr.]
I-10
|