| 24745 |
struisgras |
tuingras:
-
tuingraas (L267p Maasbree),
winde:
eigen spellingsysteem
wing (L267p Maasbree)
|
moerasstruisgras [DC 60a (1985)] || Struisgras (agrostis nebulosa). Een 10 tot 80 cm grote plant. De plant is zodevormig; de bladeren zijn smal en vlak en hebben een kort tongetje; de aartjes bevinden zich in eivormige, na de bloei uitgespreide pluimen, 1-bloemig, meestal violetbruin van kl [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 18072 |
struma |
krop:
krop (L267p Maasbree),
struma:
struma (L267p Maasbree)
|
Struma: gezwel aan de hals, als gevolg van vergroting van de schildklier (krop, struma, kropziekte). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 30557 |
stucadoor |
stucadoor:
stykadōr (L267p Maasbree)
|
Arbeider die bepleisteringen op muren en plafonds aanbrengt. De woordtypen 'stucpaffer' en 'pleisterbuil' werden in Q 121 gebruikt voor de stucadoor die de eerste pleisterlaag met grote kracht tegen de muur smeet. Op deze wijze werd de hechting van het materiaal aan de muur bevorderd. [N 30, 3c; monogr.; div.]
II-9
|
| 25138 |
stuifsneeuw |
motsneeuw:
(= fijne sneeuw).
môtsnië (L267p Maasbree)
|
verschillende soorten sneeuw [spuwsneeuw, watersneeuw] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 24932 |
stuifzand |
melm:
melm (L267p Maasbree),
stuifzand:
stuufzank (L267p Maasbree)
|
stuifzand, zeer fijn zand dat gemakkelijk stuift [vliegzand, stobber] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 22362 |
stuiken |
kotjepikken:
kutje pikke (L267p Maasbree),
kuiltjepikken:
huulke pikke (L267p Maasbree)
|
Knikkers in een kuiltje gooien [stoeken, stuiten]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 18061 |
stuipen |
stuipen:
stuupe (L267p Maasbree),
stūūpe (L267p Maasbree)
|
stuipen: Plotselinge spiersamentrekkingen, vaak samen met bewustloosheid; stuipen (stuipen, gaven, convulsies). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 25198 |
stuiven van droog zand of stof |
stuiven:
stuve (L267p Maasbree)
|
stuiven [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 21377 |
stuiver |
stuiver:
stūver (L267p Maasbree)
|
stuiver [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 18929 |
stuntelen |
hampelen:
hampele (L267p Maasbree),
haspelen:
haspele (L267p Maasbree)
|
moeizaam met iets bezig zijn zonder veel te vorderen [haspelen, stuntelen, frotten] [N 85 (1981)]
III-1-4
|