| 20750 |
koekje |
kletskop:
Syst. WBD klètsköp worden bereid uit meel, suiker en honing.
klètsköp (L332p Maasniel),
knapkoek:
Syst. WBD Knapkook is met suiker bestrooid.
knapkook (L332p Maasniel),
Syst. WBD Knapkook is ruitvormig. Men bakte vroeger knapkook als er een verse koe was. Het voornaamste ingredient is de gele honing, romige boter gestoten van de eerste melk, de zg. bee:smelk.
knapkoo:k (L332p Maasniel),
koekje:
Syst. WBD Keukske is het neutrale woord.
keu.kskes (L332p Maasniel),
platsje:
Syst. WBD Pletske is effen (kaal).
pletske(s) (L332p Maasniel)
|
Welke benamingen kent u voor koekjes (kaffekoekje, sterreke, waterpletske, peekverjenneke, knapkoek?) Wat zijn de verschillen tussen deze? [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 33880 |
koekje dat de veulens bij de geboorte in de mond hebben |
broodje:
brøtšǝ (L332p Maasniel)
|
Klein, gelig en sponzig klontje, dat met de ademhaling verband houdt. Het ligt op de tong van de pas geboren veulentjes. Meestal valt het bij de geboorte op de grond tussen het stro, droogt onmiddellijk op en is dan vrijwel onvindbaar. [N 8, 55 en 56]
I-9
|
| 20741 |
koekje van overgeschoten deeg |
greumeltje:
Syst. WBD
gruimelkes (L332p Maasniel),
platsje:
Syst. WBD
pletskes (L332p Maasniel)
|
Koekjes van onbepaalde vorm, van overgeschoten deeg gebakken voor kinderen (kreupelkes?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 33349 |
koestal |
koestal:
ku[stal] (L332p Maasniel)
|
De stal bestemd voor het rundvee. Soms zijn er voor ouder vee en kalveren aparte stalruimten. Meestal zijn de koestal en de kalverstal in één ruimte, die in zijn geheel "de koestal" wordt genoemd. Men kan de koestal echter ook opvatten als dat deel van de stal waar de koeien staan. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2). [N 5A, 33; N 5, 105g; JG 1a en 1b; A 10, 9a; L 38, 24; R (s]
I-6
|
| 21140 |
koets (alg.) |
koets:
koets (L332p Maasniel)
|
een vierwielig, geheel gesloten rijtuig, door een of meer paarden getrokken [koets, toegerij, toekoets] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 33340 |
koewachter, veeknecht |
zweitser:
šwęi̯tsǝr (L332p Maasniel)
|
De zweitser is de boerenknecht die, vooral op grote boerderijen met minstens 10 koeien (L 246), speciaal belast is met het melken en de verzorging van het rundvee. Wanneer het bedrijf voor zo''n speciale knecht te klein is wordt de zorg voor de koeien toevertrouwd aan een koewachter (koeherd, koejong; in het zuiden koeter, vatsji), meestal een aankomende knecht, pas van school, die de beesten meeneemt naar de wegbermen om ze daar te laten grazen. Van een koeter en vatsji in West-Haspengouw wordt ook gezegd dat hij (of zij) ook karweitjes in huis verricht, bijvoorbeeld in de keuken; vergelijk Kruijsen (1990) en het lemma "(hard) werken op de boerderij" (1.3.10). Bij koeherd in Q 6 wordt aangetekend: "hij kreeg alleen de kost en de klompen als loon". Voor de fonetische documentatie van het woord (knecht) zie het lemma "knecht algemeen" (1.3.12). [N M, 1b; JG 1b, 2c; A 48, 18b; L 26, 32b; monogr.]
I-6
|
| 19515 |
koffiepot |
koffiepot:
koffiepot (L332p Maasniel),
kóffiepòt (L332p Maasniel)
|
pot waarin koffie wordt gezet [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 34109 |
kol |
kol:
kǫl (L332p Maasniel)
|
Witte vlek op het voorhoofd van de koe. [N 3A, 135b]
I-11
|
| 33888 |
kolder |
kolder:
kolder (L332p Maasniel)
|
Kolder (< lat. cholera) is een slepende, ongeneeslijke hersenaandoening, die aanleiding geeft tot stoornissen in de beweging en de bloedsomloop. De uiterlijke verschijnselen zijn: onhandelbaarheid, niet willen werken, een sufferig uiterlijk, het hoofd laag houden en de oren laten hangen, evenals een waggelende gang. Deze vorm van aandoening wordt stille kolder genoemd. Bij verergering van de ziekte wordt het paard wild, draait in het rond en slaat op hol. Dan spreekt men van razende kolder. [A 48A, 37; N 8, 90p; monogr.]
I-9
|
| 33026 |
kolven afstropen |
afkolven:
āfkǫlǝvǝ (L332p Maasniel)
|
De maïskolven ontdoen van de schutbladeren. Het object van de handeling is steeds maïskolven. [N Q, 22]
I-4
|