| 19298 |
bezwaarlijk |
bezwaarlijk:
bezwaorlijk (L332p Maasniel)
|
zwaar vallend [bezwaarlijk, kwalijk] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 17996 |
bibberen |
rijderen:
rieere (L332p Maasniel)
|
beven [rijde, ridde, riere, rijgele, rijere] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 20640 |
bierpap |
bierslemp:
Syst. WBD
beersjlemp (L332p Maasniel),
Syst. WBD Werd gebruikt als middel tegen verkoudheid, en als extra voeding voor moeders die een kind zoogden.
bee:rsjlèmp (L332p Maasniel),
slemp:
Syst. WBD Werd gebruikt als middel tegen verkoudheid, en als extra voeding voor moeders die een kind zoogden.
sjlèmp (L332p Maasniel)
|
Bierpap (beerslemp?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20665 |
biersoep |
bierslemp:
Syst. WBD
beersjlemp (L332p Maasniel),
biersoep:
Syst. WBD
bee:rsoe:p (L332p Maasniel)
|
Soep, hoofdzakelijk gemaakt van bier (biersoep, beersop, bierzuipe) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 33252 |
bietenkapmes |
kopmes:
kø̜pmęts (L332p Maasniel)
|
Speciaal voor dit doel vervaardigd lang gebogen mes, "met een handvat als van een zaag", merkt de zegsman in L 322 op. Het werd gedaan met een "gewoon mes", een "broodmes" in: K 278, 357, L 211, 265, 282, 286, 291, 314, 322a, 324, 355, 355a, 366, 413, 416, 420, P 176, Q 2, 4, 72; met "de sikkel" in K 359, L 331, 355, 370, 374, Q 2, 2b, 99*; onder de "zessel" en de "hiep" wordt een hakmes verstaan. [N 12, 47; monogr.]
I-5
|
| 33251 |
bietenkopper |
krotenkopper:
krǫtǝkø̜pǝr (L332p Maasniel),
krotenschoffel:
krǫtǝšufǝl (L332p Maasniel)
|
Schoffelvormig stuk gereedschap gebruikt om loof van bieten af te steken, soms als deze nog in de grond staan, soms ook als ze al gerooid zijn. In de volgende plaatsen wordt opgemerkt dat voor dit afsteken de schup of de spade wordt gebruikt: L 163, 163a, 164, 165, 215, 266, 324, 329, 371a, 383, 416, 429a, Q 14, 94b, 101, 111 en 198b. Als er sprake is van een kapmes is de opgave in het lemma Bietenkapmes ondergebracht. [N 18, 54; monogr.; add. uit N 12, 47]
I-5
|
| 33249 |
bietenloof, bladerkroon |
koppen:
kø̜p (L332p Maasniel)
|
De bladeren van de bietenplant. [N 12, 46; L 30, 34b; monogr.; add. uit N 12, 48]
I-5
|
| 33254 |
bietenmolen |
krotenmolen:
krǫtǝmø̄lǝ (L332p Maasniel)
|
Instrument om voerderbieten in brokken te malen zodat de beesten deze eten kunnen. [N 18, 108; add. uit N 5A, 34d]
I-5
|
| 33244 |
bietenplantjes uitdunnen |
afzetten:
āfzetǝ (L332p Maasniel),
opeenzetten:
ǫpēnzętǝ (L332p Maasniel)
|
Uit de rijen jonge plantjes telkens enkele exemplaren weghalen zodat de overgebleven bietenplantjes meer ruimte krijgen om uit te groeien. Doorgaans wordt dit werk in twee fases gedaan. Eerst wordt met de schoffel of de hak op regelmatige afstanden de rij plantjes over de breedte van de schoffel onderbroken. Van de overgebleven groepjes wordt dan iets later alleen het beste plantje overgehouden; de andere worden met de hand uitgetrokken. Tegelijk wordt dat geselecteerde plantje extra aangezet. Intussen wordt, zoals op het aardappelveld, regelmatig onkruid gewied; zie de toelichting bij het lemma Aanaarden. Het object van de handeling is steeds bieten, bietenplantjes. [N 12, 45; N Q, 8; JG 1b; monogr.; add. uit N 15, 2]
I-5
|
| 33247 |
bietenriek |
bietenriek:
bitǝrēk (L332p Maasniel),
drietander:
drietander (L332p Maasniel)
|
Riek om bieten mee te verplaatsen. Doorgaans met minder tanden dan de aardappelriek, maar wel met bolletjes aan de uiteinden van de tanden om de bieten niet te beschadigen. Bij krotengaffel, achter in het lemma, wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat het stuk gereedschap 8 tot 10 tanden heeft. Vergelijk ook de toelichtingen bij de lemmaɛs Aardappelriek en Bietenkopper. [N 18, 25a, 25b en 64; JG 1d; A 28, 3; monogr.]
I-5
|