| 21877 |
veel moeten betalen |
onkosten (zn.):
onkóste (L332p Maasniel)
|
veel kosten hebben, veel moeten betalen [brokken] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 18373 |
veel te grote schoen |
landmeter:
landjmaiters (L332p Maasniel)
|
schoen, veel te grote ~ [affeseersjoon] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18547 |
veel te wijde broek |
flodderboks:
floederboks (L332p Maasniel)
|
broek, veel te wijde ~ [flodderboks] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 20497 |
veelvraat |
vreetbeest:
vraitbees (L332p Maasniel)
|
veelvraat; Hoe noemt U: Iemand die gulzig is, gulzigaard (vraat, fretter, veelvraat, doorjager) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 26765 |
veenachtig, moerassig, laaggelegen land |
broek:
brōk (L332p Maasniel),
gebroeks:
gǝbrōks (L332p Maasniel),
ven:
ven (L332p Maasniel),
zomp:
zomp (L332p Maasniel)
|
Naast de enquêtevragen I, 4 ("Hoe noemt men een moerassige wildernis met struikgewas en bomen?") en II, 9 ("Hoe noemt men veenachtig, moerassig land?") zijn in dit lemma ook verwerkt de opgaven van N 27, 20 (Hoe noemt men een moeras, de natte, weke grond zonder behoorlijke afwatering?") en monografische gegevens. Uit dergelijk moerasachtig, laaggelegen land wordt de tussenturf gewonnen. De opgaven suggereren wellicht dat in al de genoemde plaatsen tussenturf werd gestoken. Dat is zeker niet het geval geweest. De mogelijkheid tot het steken van deze turf was daar wel aanwezig. Vergelijk dit lemma met het lemma ''veen, moergrond, stuk niet ontgonnen hei of woeste grond''. De bronnenopgave is daar echter anders. [I, 4; II, 9; N 27, 20; monogr.]
II-4
|
| 26703 |
veengrond, stuk niet ontgonnen hei of woeste grond |
turfgrond:
tørfgrontj (L332p Maasniel),
wildernis:
weljǝrnes (L332p Maasniel),
woeste grond:
wustǝ grontj (L332p Maasniel)
|
Een stuk grond waarop het mogelijk is een bepaald soort turf te steken. [I, 3; N 27, 4a; N 27,18a; S 39]
II-4
|
| 24262 |
veer |
pluim:
pluum (L332p Maasniel)
|
veer: elk der huidbekleedsels van een vogel bestaande uit een buisje dat aan weerszijden baarden en baardjes draagt (pluim, veer) [N 83 (1981)]
III-4-1
|
| 21182 |
veerpont |
veer:
vair (L332p Maasniel)
|
het vaartuig dat dient om voertuigen, personen enz. over een rivier te voeren [pont, veer, pomp, overzet, overzetter, overlaat, vlot] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 34282 |
veevoer verzamelen |
aftrekken:
āftrękǝ (L332p Maasniel),
kruiden:
krui̯ǝ (L332p Maasniel)
|
Het plakken, trekken, steken of snijden van veevoer. Veevoer kan bestaan uit groenvoer, rapen, gras of gewassen als lupinen en serradella. Het verzamelen van veevoer kan dus bestaan uit verschillende handelingen. Object als "groenvoer", "konijnenvoer", "gras" e.a. zijn niet gedocumenteerd. Zie ook het lemma ''knollen uittrekken'' (2.2.6) in aflevering wld I.5. [N Q, 11c; JG 1a, 1b, 1c, 2c; L 36, 65; monogr.]
I-11
|
| 33281 |
veldbonen |
duivebonen:
dūvǝ[bonen] (L332p Maasniel)
|
Phaseolus L. Gevraagd is naar bonen die op de akker worden geteeld, maar in de antwoorden zijn ook bonensoorten te vinden die zeker in de moestuin thuishoren zoals tuinbonen (Vicia faba L.). Zodoende bestaat dit lemma eerder uit een opsomming van de namen van bonensoorten die men zoal kent, dan uit een strikt onomasiologisch artikel. Opmerkingen van zegslieden: bij duivebonen: "klein soort tuinbonen"; bij soepbonen: "voor de winterdag"; bij kniebonen: "soort paardeboon"; bij aardmannetjes: "soort struikbonen"; bij zoete bonen: "voor het vee"; bij bittere bonen: "voor de mest"; bij wollen wantjes: "ze worden tesamen met peultjes gegeten". Voor de fonetische documentatie van het woorddeel (-bonen) zie het tweede deel van het lemma Boon, Algemeen. [N P, 23a en 23b; monogr.]
I-5
|