| 32709 |
uiteenploegen |
uitereenvaren:
ō.tǝrēǝ.vǭ.rǝ (Q089p Martenslinde)
|
Manier van ploegen (met een "enkele" ploeg), waarbij de voren in de richting van de zijkanten van de akker worden omgekeerd. Nadat men aan een van beide zijden de eerste voor heeft geploegd, laat men de ploeg slepend over de wendakker gaan naar de andere zijde, om daar de tweede voor te ploegen. Via de andere wendakker verplaatst men zich weer naar de overzijde. Achtereenvolgens ploegt men nu de 3e voor tegen de Ie, de 4e tegen de 2e, enz. Terwijl de sleepweg van de ploeg over de wendakkers steeds korter wordt, komen de beide voren dichter bij elkaar te liggen, totdat zij midden op de akker bij elkaar komen en daar een greppel of laagte vormen. Voor de termen aanschieten op de reen en op de reen beginnen zie men ook het lemma de eerste voor ploegen, onder C. [N 11, 48; N 11A, 121a; JG 1a + 1b; A 33, 1a + b; monogr.]
I-1
|
| 17854 |
uitglijden |
uitschrankelen:
o:tšrɛŋkələ (Q089p Martenslinde)
|
uitglijden [ZND 24 (1937)]
III-1-2
|
| 32967 |
uitkomen |
uitkomen:
ō.tku̯o.mǝ (Q089p Martenslinde)
|
Het boven de grond uitkomen van het gekiemde zaadkorreltje. [JG 1a, 1b; monogr.; add. uit S 17]
I-4
|
| 22773 |
uitmaken wie mag beginnen |
dringelen:
və zələn tiestən drengelen (Q089p Martenslinde),
smijten:
ve zullə tios smetə (Q089p Martenslinde)
|
Hoe zeggen de kinderen, wanneer ze eerst willen zien wie mag beginnen, b.v. bij het knikkerspel? Vertaal dus en vul aan: We zullen eerst ... [ZND 26 (1937)]
III-3-2
|
| 21445 |
uitschelden |
uitschabijnen:
oud
ootsjabaaine (Q089p Martenslinde),
uitschijten:
plat
ootsjetə (Q089p Martenslinde),
verwijten:
verwete (Q089p Martenslinde)
|
Op iem. schelden, iem. uitschelden. Geef de gemeenzame uitdrukkingen op en zet tussen twee haakjes welke als "gemeen"of "plat"beschouwd worden. [ZND 34 (1940)]
III-3-1
|
| 32416 |
uitspannen |
uitspannen:
ō.tspanǝ (Q089p Martenslinde)
|
Het paard losmaken van de kar of het werktuig waarin of waaraan het gespannen is. Bij het uitspannen uit een kar met berries worden de draagriem, de brede buikriem en de strengen losgemaakt. Vervolgens wordt het paard naar de stal geleid. [JG 1b, 2c; N 8, 98b; monogr.]
I-10
|
| 34590 |
uitstekende delen van de trekschei |
hingelen:
heŋǝlǝ (Q089p Martenslinde)
|
De delen van de trekschei waaraan de strengen bevestigd worden. [N 17, 25b; N G, 58c]
I-13
|
| 21133 |
uitwijken |
afzetten:
ǭ.f˲zętǝ (Q089p Martenslinde)
|
Als de weg smal is en er komt van de tegenovergestelde zijde een kar af, dan zullen beide voertuigen moeten uitwijken. [JG 1a, 1b; monogr.]
I-10
|
| 34061 |
vaars |
eenwinter:
ē.we.ntǝr (Q089p Martenslinde),
vaars:
vi̯ǫs (Q089p Martenslinde),
vi̯ɛs (Q089p Martenslinde),
vaarsje:
vi̯ø.skǝ (Q089p Martenslinde)
|
Jonge koe van ongeveer twee jaar die nog geen kalf heeft gehad of voor de eerste maal kalft. [JG 1a, 1b; A 2, 38; A 4, 11; Gwn V, 6; L 8, 27; L 20, 11; R 3, 37; S 38 en 49; Wi 16; monogr.; add. uit N 3A, 20]
I-11
|
| 19492 |
vaatdoek |
schotelplag:
šetəlplax (Q089p Martenslinde)
|
zo vet als een vaatdoek (schoteldoek) [ZND 08 (1925)]
III-2-1
|