| 30928 |
veter |
staartel:
statǝl (Q089p Martenslinde)
|
Koord of smal gevlochten band door de ogen van de schoenen geregen, om de kleppen naar elkaar toe te halen en te bevestigen. Het kan van leer of van een andere stof gemaakt zijn. Volgens de informant van P 219 is de staartel breder dan de nestel. [N 60, 27a; N 60, 27b; L 5, 14; Wi]
II-10
|
| 33756 |
veulen |
veulen:
vi̯ø̜.lǝ (Q089p Martenslinde)
|
Jong paard, gewoonlijk tot de leeftijd van twee en een half jaar. [JG 1a, 1b; A 4, 2d; L 20, 2d; L A1, 262; N 8, 1; Gwn 5, 10; RND 107; S 40; Wi 4; monogr.]
I-9
|
| 34535 |
vierdeel eieren |
vierdelaar:
viędǝlēr (Q089p Martenslinde)
|
Een vierdeel eieren is volgens het WNT vooral een maat voor granen. Wat een vierdeel eieren inhoudt, is moeilijk na te gaan. De Diksjenaer van ''t Mestreechs zegt dat een viedel eieren een vierendeel van honderd plus één is, dus 26. Heel waarschijnlijk gaat het dus om een vierde deel van honderd.' [L 8, 44; monogr.]
I-12
|
| 20574 |
vieruursboterham |
caf-drinken, het -:
kafe dreŋkə (Q089p Martenslinde, ...
Q089p Martenslinde),
koffiedrinken, het -:
kofidreŋkə (Q089p Martenslinde)
|
de maaltijd die gewoonlijk rond vier uur in de namiddag gebruikt wordt, het vieruurtje [ZND 06 (1924)] || namen en uren van de dagelijkse maaltijden: 16 uur [ZND 18G (1935)]
III-2-3
|
| 21537 |
vijf centiem |
knabje:
e knepke (Q089p Martenslinde)
|
Bestaat er een dialectnaam voor een stuk van 5 centimes? [ZND 28 (1938)]
III-3-1
|
| 21538 |
vijfentwintig centiem |
kwartje:
e kwerche (Q089p Martenslinde)
|
Bestaat er een dialectnaam voor een stuk van 25 centimes? [ZND 28 (1938)]
III-3-1
|
| 24961 |
vijver |
wijer:
wajǝr (Q089p Martenslinde)
|
Kleine, natuurlijke of (meest) gegraven, vaak omsloten waterplas. Vroeger groef men vaak vijvers om er vis in te houden. Tegenwoordig is de vijver vaak een deel van een park- of tuinaanleg. [R 7, 18; S 40; A 20, 1e; L 8, 47; monogr.]
I-8
|
| 17768 |
vinger |
vinger:
venger (Q089p Martenslinde),
viŋər (Q089p Martenslinde)
|
Doorn: ik heb een doorn in mijn vinger [ZND 23 (1937)]
III-1-1
|
| 19746 |
violier |
flier:
flier (Q089p Martenslinde),
violier:
flier (Q089p Martenslinde)
|
Cheiranthus cheiri, Fr. Giroflée des murailles [ZND 15 (1930)] || Violier (Matthiola incana (L.) R.Br.). Sierplanten, meestal met langwerpige, gaafrandige bladeren; grijsachtig door de dichte beharing. De bloemen zijn verschillend gekleurd, maar niet geel, meestal paarsrood. Dik van blad en vaak met dubbele bloemen. Hau [ZND 15 (1930)]
I-7, III-2-1
|
| 19745 |
viooltje |
viooltje:
fieelke (Q089p Martenslinde)
|
Viola, Fr. violette [ZND 34 (1940)]
I-7
|