| 17766 |
navel |
navel:
navel (L217p Meerlo)
|
Navel: het litteken van de navelstreng midden op de buik (nakker, nagel, navel). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 20361 |
neef |
neef:
neen
nêf (L217p Meerlo)
|
neef; Bestaan er verschillende woorden voor de verschillende soorten van neven (kinderen van ooms en tantes, kinderen van broers en zusters, achterneven?) [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 24347 |
neet, luizenei |
neet:
neet (L217p Meerlo)
|
neet [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 18042 |
negenoog |
negenoog:
nege oeëg (L217p Meerlo),
nēgenooig (L217p Meerlo)
|
negenoog, bloedzweer [SGV (1914)] || Negenoog: kwaadaardige steenpuist omgeven door andere steenpuisten die ineen vloeien (negenoog, negenoger, kwader). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 17905 |
nemen, pakken |
nemen:
neeme (L217p Meerlo),
pakken:
pakke (L217p Meerlo)
|
nemen [SGV (1914)] || pakken [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 32853 |
nerf van de weide |
groes:
grūs (L217p Meerlo),
weizool:
węi̯zǭl (L217p Meerlo)
|
Begroeide bovenlaag van wei- of hooiland; grasmat, graslaag. Zie ook de lemma''s ''nerf van de akker'' en ''groes'', ''met gras begroeide grond'' in de aflevering over de Landerijen. Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) ''gras'' het lemma ''gras''. [N 14, 51; N 18, 12 add.; monogr.]
I-3
|
| 24717 |
nerf van een blad |
nerf:
eigen spellingsysteem
nerf (L217p Meerlo)
|
De aders van een blad die als ribben zichtbaar zijn en uitgaan van de steel (nerf, rib). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 24215 |
nest |
bocht:
ook: materiaal waaruit he nest is gebouwd
bōcht (L217p Meerlo),
nest:
nēst (L217p Meerlo),
nēste (L217p Meerlo)
|
nest [SGV (1914)] || nesten (mv.) [SGV (1914)]
III-4-1
|
| 24435 |
nest, hoeveelheid jongen |
nest:
eigen spellingsysteem honden, katten
nest (L217p Meerlo),
toom:
eigen spellingsysteem varkens
toom (L217p Meerlo)
|
Hoe noemt u de hoeveelheid jongen die een dier in één keer heeft (nest) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 34521 |
nestei |
nestei:
nēstęi̯ (L217p Meerlo)
|
Een nestei is het ei dat men bij het wegnemen van de eieren van de kippen in het nest laat liggen, opdat er andere bij gelegd worden. Soms gebruikt men een ei van kalk, porcelein of gips, soms een vuil ei. [S 25; monogr.]
I-12
|