| 20429 |
huwelijk |
huwelijk:
huwelijk (L217p Meerlo)
|
huwelijk [SGV (1914)]
III-2-2
|
| 21667 |
hypotheek |
hypotheek:
hypetieëk (L217p Meerlo)
|
de geldsom die verstrekt wordt op een onderpand bestaande uit bijv. onroerend goed [hypotheek, rippeteek] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 21216 |
identiteitskaart |
persoonsbewijs:
Algemene opmerking v.d. invuller: in het Meerlos dialect bestaat geen uitgangs "n"!
persoeënsbewies (L217p Meerlo)
|
de gelegaliseerde kaart waaruit iemands identiteit blijkt [identiteitsbewijs, indentie-bewijs, eenzelvigheidsbewijs] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21793 |
iemand graag mogen |
goed lijden:
goed li-jje (L217p Meerlo)
|
iemand graag mogen [bestaan op, lijden, zetten] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 19296 |
iemand hinderen |
in de weg staan:
ien de wèg stoan (L217p Meerlo),
plagen:
ploage (L217p Meerlo)
|
iemand beletten zijn werk uit te voeren [mishandelen, verhinderen] [N 85 (1981)] || iemand bij zijn werk storen of ophouden [plagen, steken, hinderen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19232 |
iemand iets op het hart drukken |
de wacht aanzeggen:
de waacht anzegge (L217p Meerlo)
|
iemand iets met nadruk aanbevelen opdat hij het niet vergeten of verzuimen zal [de wacht aanzeggen, bokstapelen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18941 |
iemand iets verwijten |
verwijten:
verwiete (L217p Meerlo)
|
iemand wijzen op een schuld of tekortkoming, of hem daarmee belasten [voorstoten, voorschieten, verwijten] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18865 |
iemand kwaad maken |
ophitsen:
ophitse (L217p Meerlo)
|
iemand kwaad maken [tirtsen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19295 |
iemand luidruchtig berispen |
kijven:
kieve (L217p Meerlo),
kīēve (L217p Meerlo),
smalen:
smèle (L217p Meerlo)
|
iemand iets verwijten, kwalijk nemen en dat met luide stem kenbaar maken [de broek opnestelen, kijven, meegeven, belakken] [N 85 (1981)] || kijven || schimpen, kijven
III-1-4
|
| 19291 |
iemand prijzen |
bestuiten:
bestuute (L217p Meerlo),
ophemelen:
ophemele (L217p Meerlo),
prijzen:
prīēze (L217p Meerlo),
stuiten:
stütte (L217p Meerlo)
|
iemand enorm prijzen, vaak overdreven [ombragie maken] [N 85 (1981)] || iemand prijzen og loven voor wat hij gedaan heeft [stuiten, bestuiten, velen] [N 85 (1981)] || prijzen, lof toezwaaien || prijzen, lofspreken van
III-1-4
|