| 31592 |
hoefstal, noodstal |
hoefstal:
hōfštal (Q099p Meerssen),
noodstal:
nwātštal (Q099p Meerssen)
|
Een uit houten planken of metalen buizen vervaardigd gestel dat vóór of in de smidse is opgesteld. Wanneer een paard moet worden beslagen, wordt het in de hoefstal geplaatst. Zie ook afb. 220. [N 33, 6; N 33, 374; S 14; L 1a-m; L 1u, 96; L B2, 278; A 43, 15; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
II-11
|
| 25008 |
hoek (tussen twee lijnen) |
hoek:
hook (Q099p Meerssen)
|
hoek [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 17763 |
hoektand |
hoektand:
hóktànt (Q099p Meerssen),
oogstand:
augstand (Q099p Meerssen)
|
hoektand [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 22358 |
hoepel |
reep:
rēīp (Q099p Meerssen),
rijp (Q099p Meerssen)
|
Hoe noemt men het kinderspeelgoed, bestaande uit een grote houten of ijzeren ring, die met een stokje, een haak of een oog wordt voortgedreven, zodat hij over de weg rolt? [DC 19 (1951)] || hoepel [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 22359 |
hoepelen |
repen:
rĕĭpe (Q099p Meerssen)
|
hoepelen [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 18319 |
hoepelrok |
repenrok:
reiperok (Q099p Meerssen)
|
hoepelrok [reekerok] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 34619 |
hoepels van de huifkar |
repen:
ręi̯pǝ (Q099p Meerssen)
|
Houten hoepels waarover de huif gespannen werd. De hoepels werden in krammen tegen de zijplanken bevestigd. Meestal waren er vijf, waarvan de voorste naar voren helde. [N 17, 74 + 99]
I-13
|
| 18017 |
hoest |
hoest:
hoos (Q099p Meerssen)
|
hoest [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 18018 |
hoesten |
blaffen:
blaffe (Q099p Meerssen),
hoesten:
hooste (Q099p Meerssen),
kuchelen:
kuchele (Q099p Meerssen)
|
hoesten [keche, kechelen] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 18307 |
hoge herenschoen |
rijgschoen:
rieschoon (Q099p Meerssen),
wagschoen:
whag-schoon (Q099p Meerssen)
|
herenschoenen, hoge ~ [N 24 (1964)] || sokschoenen, hogemanschoenen, in de betekenis van soort schoen; betekenis/uitspraak [N 24 (1964)]
III-1-3
|