| 21788 |
kwelling/pesterij |
plaag:
plōͅx (L364p Meeuwen)
|
het kwellen [plaag, temptatie] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 17692 |
kwijl |
zever:
zeivər (L364p Meeuwen)
|
Kwijl: uit de mond lopend speeksel (zever, kwijl). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 21833 |
kwinkslag |
spreuk:
spreuk (L364p Meeuwen)
|
een grappig, koddig gezegde [slag, dreun] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 24925 |
laag grond |
laag:
laag (L364p Meeuwen),
laoch (L364p Meeuwen),
(als zelfst. nw.).
loag (L364p Meeuwen)
|
laag (subst.) || laag grond [laag, scheel, bank] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 33081 |
laag schoven op de wagen |
laag:
lǭx (L364p Meeuwen)
|
Zie de toelichting bij het lemma ''tasser op de wagen'' (5.1.5). Voorkop is de laag op de naar voren uitstekende ladder boven het paard. [N 15, 42; JG 1a, 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-4
|
| 33649 |
laagliggende akker |
lage grond:
ligǝ grǫnt (L364p Meeuwen)
|
Een aantal woordtypen duiden niet zozeer op een afgebakend perceel, een akker, maar meer algemeen op laagliggende grond. [N 11, 2b]
I-8
|
| 33650 |
laagte in een akker |
zonk:
zuŋk (L364p Meeuwen)
|
Laagte of kuil waar de grond steeds vochtig blijft of waar water blijft staan. [N 11, 3a, N 11, add.; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 18215 |
laars (alg.) |
bot:
bot (L364p Meeuwen),
botten (L364p Meeuwen),
stevel:
ste.vəl (L364p Meeuwen),
stiebel (L364p Meeuwen)
|
hoge laars || laars || Laars, een paar laarzen (hoge laars met schoen eraan vast) [ZND 37 (1941)]
III-1-3
|
| 19138 |
lachen |
lachen:
lachə (L364p Meeuwen)
|
lachen
III-1-4
|
| 34581 |
ladderboom |
leierbalk:
lęi̯.ǝrba.lǝk (L364p Meeuwen),
(mv)
lęi̯.ǝrbɛ.lǝk (L364p Meeuwen)
|
Elk van de twee balken van een zijladder waartussen zich de sporten bevinden. [JG 1a; JG 1b]
I-13
|