| 20847 |
suiker |
suiker:
sokər (L364p Meeuwen),
als soornaam; Ze kwamen er op aaf wi-j de vlege op sòkker
sòkker (L364p Meeuwen)
|
suiker
III-2-3
|
| 33230 |
suikerbiet |
suikerkroot:
sokǝrkrű̄t (L364p Meeuwen)
|
Beta vulgaris L. subsp. vulgaris, var. altissima. De suikerbiet is een veredeling van de voederbiet met een groot aandeel suikers in de vaste bestanddelen en dateert van het begin van de twintigste eeuw. De knol groeit helemaal onder de grond en gedijt het best op kleigronden. Het is één van de belangrijkste cultuurgewassen op de leemhoudende gronden in Limburg en levert de grondstoffen voor de stroopfabricage en voor de suikerindustrie in Haspengouw. De volgorde van de varianten is zoals steeds eerst naar het tweede element (biet, kroot, enz.); daarbinnen naar de varianten van suiker-; naar het vocalisme zijn in dit eerst lid drie groepen te onderscheiden, die wijzen op verschillende ontleningslagen, corresponderend aan de Nederlandse (ø̜i̯) van ɛsuikerɛ, aan de Duitse (u) van ɛZuckerɛ en aan de Franse (y) van ɛsucreɛ. [N 12, 37; N 12A, 2; A 13, 2c; A 49, 3; L B2, 361; L 43, 4a; R 3, 97; monogr.; add. uit JG 1b]
I-5
|
| 20543 |
suikerklontje |
klontje:
klontje
klontšə (L364p Meeuwen),
klotje:
klétsje (L364p Meeuwen),
suiker:
Gewuunlik pak ich geine sòkker inne koffie
sòkker (L364p Meeuwen)
|
klontje; Hoe noemt U: Een blokje suiker (klontje) [N 80 (1980)] || suikerklontje
III-2-3
|
| 20358 |
suikeroom |
suikernonk:
sòkkernònk (L364p Meeuwen)
|
suikeroom
III-2-2
|
| 20260 |
suikertante |
suikertantje:
sòkkertentsje (L364p Meeuwen)
|
suikertantje
III-2-2
|
| 17735 |
suizen van de oren |
tuiten:
tytə (L364p Meeuwen)
|
suizen van de oren [toewte, fluite] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17978 |
sukkelen |
sukkelen:
sigələ (L364p Meeuwen)
|
Sukkelen: aanhoudend ziek of niet gezond zijn, ziekelijk zijn (kwijpelen, plaaieren, op de sukkelbaan zijn, in het sukkelstraatje zijn). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 18126 |
syfilis |
syfilis:
sifilis (L364p Meeuwen)
|
Syfilis: besmettelijke geslachtsziekte die gewoonlijk begint met een zweer op de geslachtsorganen; uiteindelijk kan elk orgaan aangetast worden (druiper, luizenziekte). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 20951 |
taai stuk vlees |
leren lap:
ein lère lap (L364p Meeuwen),
leren thijs:
eine lèren Ti-js (L364p Meeuwen),
taai:
tej (L364p Meeuwen),
det is mè tejje keddel
tej (L364p Meeuwen)
|
een stuk taai vlees of gebak || een taai stuk vlees of gebak || ongaar || taai
III-2-3
|
| 20704 |
taaie pannenkoek |
leren thijs:
lèren ti-js (L364p Meeuwen)
|
een taaie pannekoek b.v. gebakken zonder gist
III-2-3
|