| 20646 |
varkensvet |
gesmolten vet:
gəsmoͅ.ltə veͅt (L364p Meeuwen),
smout:
smaut (L364p Meeuwen)
|
gesmolten vet [Goossens 1b (1960)] || reuzelvet
III-2-3
|
| 20594 |
vast |
derf:
derf (L364p Meeuwen)
|
doorbakken; Hoe noemt U: Zwaar gebakken, gezegd van brood (derf, klut, klei, knoef, kluit) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 18427 |
vaste boord |
bandje:
B.v. Doe een ander bandje om.
bant (L364p Meeuwen)
|
band: halsboord
III-1-3
|
| 34272 |
vaste uitwerpselen |
keutelen:
ki.tǝlǝ (L364p Meeuwen),
kītǝlǝ (L364p Meeuwen)
|
In de vragen L 20, 22f en A 4, 22f werd ook gevraagd naar het gebruik van schapenmest. Uit de antwoorden blijkt dat schapenmest kon dienen als bemesting in het algemeen en als weiland- en bloembemesting. Ook vermengde men schapenmest met stalmest. Schapenmest werd wel eens gebruikt om stokbomen in te planten. [N 77, 122; L 20, 22f; A 4, 22f; A9, 24c] || Vaste uitwerpselen van vee. [JG 1a, 1b; A 9, 24e; A 9, 28c; monogr.]
I-11, I-12
|
| 22648 |
vastenavond |
vastelavond:
vastəloͅ.vət (L364p Meeuwen),
vastenavond:
vastənoͅ.vət (L364p Meeuwen)
|
vastenavond [RND] || Vastenavond.
III-3-2
|
| 26650 |
vat |
vat:
vā.t (L364p Meeuwen
[(18 kg)]
)
|
Graanmaat. Naar gelang de streek kan de inhoud van een vat verschillen. Voor zover door de invullers opgegeven, is achter het plaatscodenummer tussen ronde haken het aantal kiloɛs vermeld.' [JG 1b; JG 1c; JG 2c; Jan 141; Coe 263; Grof 288; monogr.]
II-3
|
| 25255 |
vat, maat van 30 liter |
vat:
va.t (L364p Meeuwen)
|
de maat die een inhoud aangeeft van ± 30 liter [vat] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 32342 |
vat, ton |
ton:
ton (L364p Meeuwen),
vat:
vāt (L364p Meeuwen)
|
Een vat of ton is uit houten duigen en twee bodems samengesteld en wordt met behulp van houten of metalen banden bijeen gehouden. Het middendeel ervan, de buik, heeft de grootste omvang. Vanuit het midden loopt het vat naar het boven- en ondereinde smaller toe. [N E, L; L 21, 40; monogr.]
II-12
|
| 32344 |
vat, ton (naar inhoud) |
vat:
vāt (L364p Meeuwen)
|
In dit lemma zijn de benamingen voor vaten en tonnen met een bepaalde inhoudsmaat bijeen geplaatst. Bij één soort benaming worden door de zegslieden soms verschillende inhoudsmaten opgegeven. [N E, L; monogr.]
II-12
|
| 21284 |
vechten |
vechten:
faextə (L364p Meeuwen),
vechten (L364p Meeuwen),
veͅxtə (L364p Meeuwen)
|
Hij deed geheel de wereld vechten. [RND] || ruzie maken en daarbij gebruik maken van handen, armen en benen [kempen, kebberen, vechten] [N 85 (1981)]
III-3-1
|