| 33719 |
ontbost terrein met een schop omwerken |
omdoen:
ømdū (L265p Meijel)
|
Het ontboste terrein met een schop omwerken om de achtergebleven wortels te verwijderen. [N 27, 10a]
I-8
|
| 27533 |
ontgroening voor ondergrondse mijnwerkers |
kuilstamp:
kulstamp (L265p Meijel
[(Maurits / Emma)]
[Maurits])
|
Gebruik om nieuwe mijnwerkers een panschop tegen het, eventueel blote, achterwerk te houden waartegen dan met een voorhamer werdgeslagen. Volgens de invuller uit Q 121c was het op de Domaniale mijn gebruikelijk om dit bovengronds te doen en wel in het gebouw waar de jonge mijnwerkers mijnwagens schoon moesten maken. De invuller uit Q 112a heeft het gebruik nog gekend tot ongeveer 1960. Het werd toegepast bij nieuwe leden van de Bovon, de beambtenontspanningsvereniging van de Oranje-Nassau III. [N 95 A, 9; monogr.]
II-5
|
| 23941 |
onthoudingsdag |
onthoudingsdag:
onthaawingsdaag (L265p Meijel),
onthoudingsdag (L265p Meijel)
|
Een onthoudingsdag: dag waarop men geen vlees, spek en jus uit vlees mag gebruiken. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 17706 |
ontlasting hebben |
afgaan:
afgoa (L265p Meijel),
lossen:
losse (L265p Meijel),
schijt hebben:
ik heb schiet (L265p Meijel),
schijten:
sjitje (L265p Meijel)
|
ontlasting hebben [afgon, leutere, driete, zijn gevoeg doen] [N 10c (1961)], [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 18040 |
ontsteking |
huidontsteking:
huidontstékking (L265p Meijel, ...
L265p Meijel),
zweer:
zwèren (L265p Meijel)
|
Ontsteking: plaatselijke infectie van weefsel, lichaamsdelen, gepaard gaande met roodheid, zwelling en pijn (meuk, mik). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 22046 |
ontsteking van de oogleden |
snot:
snot (L265p Meijel)
|
Hoe noemt U in Uw dialect de volgende ziekten: ontsteking van de oogleden (oogvliesjes)? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 21688 |
ontvangen |
beuren:
beure (L265p Meijel),
beurə (L265p Meijel),
ontvangen:
ontvange (L265p Meijel)
|
in het bezit gesteld worden van bijv. geld [beuren, inbeuren ontvangen] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 28663 |
ontzegelen |
ontzegelen:
ontzēgǝlǝ (L265p Meijel)
|
Het verwijderen van de wasdeksels die de honingcellen bedekken. Voordat de raten in de slinger gaan, moeten ze ontzegeld worden. Men heeft hiervoor een ontzegelmes of een ontzegelvork, soms werkt men, enigszins primitief, met een gewone eetvork. De techniek van het ontzegelen is uiterst eenvoudig. Het raam wordt bij de oren vastgehouden. Het steunt met een punt op een over de ontzegelbak gelegd plankje. Het mes wordt dan langs de latten gehaald waardoor de wasdeksels in een bak vallen. [N 63, 124a; Ge 37, 169; monogr.]
II-6
|
| 28680 |
ontzegelvork |
ontzegelvork:
ontzēgǝlvø̜̄rǝk (L265p Meijel)
|
Bepaald soort vork, zo breed mogelijk met vele, smalle tandjes. Bij het ontzegelen wordt hij bij voorkeur warm gebruikt. Na het ontzegelen van elk raatvlak wordt hij in een bak heet water geplaatst. Voordat men gaat ontzegelen, slaat men het water even eraf. [N 63, 124c; N 63, 124b; N 63, 124d; Ge 37, 171; monogr.]
II-6
|
| 18858 |
ontzien |
ontzien:
ontzie (L265p Meijel),
ontzien (L265p Meijel),
óntzīē (L265p Meijel)
|
iemand zoveel mogelijk sparen [ontzien, vreeuwen, vieren] [N 85 (1981)]
III-1-4
|