| 21197 |
op reis gaan |
op reis gaan:
óp reis gegao zin (L265p Meijel)
|
op reis gegaan zijn [te mantij zijn] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 23675 |
op retraite gaan |
bezinning gaan:
bezinning gaon (L265p Meijel),
op retraite (fr.) gaan:
op rətrēͅt gōͅ (L265p Meijel)
|
In retraite gaan, in retraite zijn. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 32920 |
op rijen zetten |
op duinen trekken:
ǫp [duinen] trękǝ (L265p Meijel),
oprijen:
ǫpręi̯ǝ (L265p Meijel)
|
Het uitgespreide gras dat de eerste droging heeft ondergaan bijeenwerken tot rijen of langwerpige heuveltjes. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: hooi of gras. Wanneer het resultaat van de handeling, i.c. de rij, in het woordtype voorkomt, wordt steeds door middel van (...) verwezen naar de woordtypen van het lemma ''rij, wiers''. Om de vergelijking te vergemakkelijken is in dit lemma dezelfde volgorde van woordtypen of afleidingen daarvan aangehouden als in het lemma ''rij, wiers''. Achter in het lemma staan dan de werkwoorden bijeen die geen formeel verband met de benamingen voor de rij hebben. De kaart bevat de denominatieven van de heteroniemen voor rij, wiers en de werkwoordelijke uitdrukkingen met die heteroniemen, ook geordend zoals in het lemma ''rij, wiers''. [N 14, 100; JG 1b, 1c, 2c; A 10, 18; L 38, 36; monogr.]
I-3
|
| 32929 |
op ruiters zetten, ruiteren |
op ruiters zetten:
ǫp [ruiters] ˲zętǝ (L265p Meijel),
ruiteren:
rø̜i̯tǝrǝ (L265p Meijel)
|
Het bijeenzetten van het gedroogde hooi op houten stellages, doorgaans ruiters of bokken genoemd (zie het lemma ''hooiruiter''), zodat het zonder in contact met de bodem te staan, verder kan drogen, voordat het van het veld naar de boerderij wordt gebracht. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: hooi. Wanneer het resultaat van de handeling, i.c. de hooiruiter, in het woordtype voorkomt, wordt steeds door middel van ø...ŋ verwezen naar de woordtypen van het lemma ''hooiruiter''. Om de vergelijking te vergemakkelijken is in dit lemma dezelfde volgorde van woordtypen of afleidingen daarvan aangehouden als in het lemma ''hooiruiter''.' [N 14, 113b; JG 1b add.]
I-3
|
| 27001 |
op slag zetten |
in slag zetten:
en slax zetǝ (L265p Meijel),
opslaan:
opslǭ (L265p Meijel)
|
Het verzamelen van de turf in slagen. [II, 78b, II, 79d]
II-4
|
| 29978 |
op steigerhoogte |
op steigerhoogte:
op stęjgǝrhø̜xtǝ (L265p Meijel)
|
Gezegd van metselwerk dat zover is gevorderd, dat men gebruik moet gaan maken van een steiger of de bestaande steiger moet gaan verhogen. [N 31, 46b; monogr.]
II-9
|
| 22368 |
op stelten lopen |
op stelten lopen:
oͅp steͅltə lōəpə (L265p Meijel),
steltlopen:
steltloepe (L265p Meijel)
|
Op stelten lopen [stelten]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 26727 |
op zand uitlopen, gezegd van veengrond |
op zand uitlopen:
op zant øtjlūǝpǝ (L265p Meijel)
|
Wanneer de veenlagen geleidelijk dunner worden, kan het veen op zand uitlopen. [I, 18]
II-4
|
| 25653 |
opbakken |
oppijpen:
oppīpǝ (L265p Meijel)
|
In N 29, 79b werd gevraagd naar de wijze waarop men oud brood opbakte. De antwoorden op deze vraag zijn verwerkt in deze semantische toelichting. Een veel voorkomende methode van opbakken is het brood nat maken met b.v een borstel. Vervolgens wordt het in de oven gelegd totdat het doorwarmd is. Dit duurt zo''n 5 à 10 minuten. Men kan het brood ook opstomen. Als de oven tamelijk warm is, gooit men er een pot water in. Het water verdampt en het brood zet men 5 à 10 minuten in de oven. Men kan het brood ook v√≥√≥r of na het gewone bakken, wanneer de oven niet zo heet is, in de oven leggen gedurende tien minuten. Na het eruithalen legt men het brood onder een doek, zodat men de warmte en de wasem erin laat dringen.' [N 29, 97a; N 29, 97b; monogr.]
II-1
|
| 17913 |
opbergen |
opbergen:
opbäerige (L265p Meijel),
opruimen:
opruumen (L265p Meijel)
|
opbergen [DC 38 (1964)]
III-1-2
|