| 26196 |
roegewant |
gevlucht:
gǝvløxt (L265p Meijel),
kruis:
krøš (L265p Meijel)
|
De twee roeden met de vier einden met toebehoren. In l 320a maakte men onderscheid tussen een lang (laŋk) en een kort (kǫrt) gevlucht. [N O, 6c; Sche 29; A 42A, add.; A 42A, 65 add.; A 42A, 62 add.]
II-3
|
| 21183 |
roeien |
roeien:
rŏĕjə (L265p Meijel),
Opm. v.d. invuller: roeiriemen = spane.
roeje (L265p Meijel)
|
door middel van roeiriemen een vaartuig voortbewegen [roeien, riemen] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21184 |
roeispaan |
roeispaan:
roejspaan (L265p Meijel),
rŏĕjspaan (L265p Meijel)
|
het gereedschap om een vaartuig voort te roeien [riem, roeiriem, roeispaan, spaan] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 24235 |
roek |
roek:
ruk (L265p Meijel)
|
roek (46 bekende vogel; zwart met paarsige glans; kale rand boven aan de snavel; broedt in kolonies; leeft in troepen; roep [kao-kao-kao], [waaak] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 21938 |
roekoeën |
koeren:
kurə (L265p Meijel),
koerten:
koerten (L265p Meijel)
|
Hoe noemt men het geluid dat de duiven maken - de/het ....... bijv. de duiven zijn aan het ......... [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 34528 |
roep- en lokwoord voor de kip |
kip, kip, kip:
kip, kip, kip (L265p Meijel),
tiet, tiet, tiet:
tīt, tīt, tīt (L265p Meijel)
|
Naast de verschillende roepwoorden kan men de kippen ook lokken door een zuigend klappend geluid te maken met de tong tegen de tanden (P 176 (Sint-Truiden)) of door te fluiten (Q 2 (Hasselt)). [N 19, 44a; L 47, 9a; A 6, 2b; A 6, 2a; VC 14, 2n -r-; Vld.; L B2, 259a; monogr.]
I-12
|
| 34379 |
roep- en lokwoord voor een big |
kiele, kiele, kiele:
kilǝ, kilǝ, kilǝ (L265p Meijel),
kuus, kuus, kuus:
kys, kys, kys (L265p Meijel)
|
Roep- en lokwoord voor een big. Iets roepen kan ook vervangen worden door een smakkend geluid te maken of door te klakken met de tong. [N 19, 11b; VC 14, 2d r; monogr.]
I-12
|
| 34219 |
roep- en lokwoord voor het kalf |
muk:
mø̜k (L265p Meijel)
|
Met kan een kalf roepen met de algemene benamingen kalf, kalfje, muk enzovoorts, met eigennamen als Liesje, met klanknabootsingen of eventueel met het rammelen van melkemmers. [N C, 17; VC 14, 2b (r]
I-11
|
| 34529 |
roep- en lokwoord voor het kuiken |
piete, piete:
pitǝ, pitǝ (L265p Meijel)
|
[N 19, 44b; A 6, 2c; L 47, 9b; VC 12 2o -r-; monogr.]
I-12
|
| 34377 |
roep- en lokwoord voor het varken |
kuus, kuus, kuus:
kys, kys, kys (L265p Meijel)
|
In plaats van kuus roepen klakt men ook wel met de tong. [N 19, 11a; VC 14, 2c (r]
I-12
|