| 24186 |
kneu |
heivink:
heivink (Q034p Merkelbeek)
|
Hoe heet de kneu? [DC 06 (1938)]
III-4-1
|
| 22410 |
knibbelen |
knibbelspel:
knibbelsjpiel (Q034p Merkelbeek)
|
Het spel waarbij de spelers staafjes (26 of 28) die verward op een hoopje liggen, met een haakje of een staafje telkens een staafje moeten ophalen zonder de andere te bewegen [knibbelen, knipperen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 17677 |
knie |
knie:
knei (Q034p Merkelbeek),
knijj (Q034p Merkelbeek)
|
knie [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 17678 |
knieholte |
hees:
hees (Q034p Merkelbeek)
|
knieholte [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 18874 |
kniezen |
zich opvreten:
zich opvrète (Q034p Merkelbeek)
|
een knagend verdriet hebben en zichzelf daarvoor als ongelukkig beklagen [treuren, kniezen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 17920 |
knijpen |
knijpen:
kniepe (Q034p Merkelbeek),
knīepe (Q034p Merkelbeek),
pitsen:
pitsje (Q034p Merkelbeek)
|
Knellen: stijf drukken zodat daardoor een striem ontstaat (knellen, knijpen, duwen, wringen, klemmen). [N 84 (1981)] || Knijpen: vel of vlees met de vingers samenknijpen; drukken (nijpen, knijpen, pitsen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 22364 |
knikkerkuiltje |
kuiltje:
kulke (Q034p Merkelbeek)
|
Een holletje in de grond, door de kinderen gebruikt bij het knikkeren? [DC 21 (1952)]
III-3-2
|
| 17784 |
knipogen |
knipoogje (zn.):
knipeugske (Q034p Merkelbeek)
|
Knipogen: een oog even sluiten en weer openen, als teken van verstandhouding (knipogen, pinken). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 19076 |
knoest |
aas:
eigen spellingsysteem
aost (Q034p Merkelbeek),
keer:
eigen spellingsysteem
kèèr (Q034p Merkelbeek),
knoest:
eigen spellingsysteem
knoes (Q034p Merkelbeek)
|
Een harde, ruwe uitwas aan een boom (knoes, kwar, aast, knoop, inwas, knoest). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 17664 |
knokkelkuiltjes |
kuiltjes:
kulkes (Q034p Merkelbeek),
kuëlkes (Q034p Merkelbeek)
|
De deukjes op de gewrichten tussen hand en vinger, die men ziet op de handjes van dikke babys, maar ook wel bij dikke kinderen en mensen? [DC 21 (1952)] || deukjes, De ~ op de gewrichten tussen de hand en vinger. [N 84 (1981)]
III-1-1
|