30054 |
grondwerker |
grondwerker:
grõntwęrǝkǝr (L209p Merselo)
|
De arbeider die het graafwerk voor kelderruimte of funderingssleuven verricht. In L 270 werd dit werk gewoonlijk door de handlangers gedaan. Zie voor de fonetische documentatie van de tussen '(...)-' geplaatste vormen het lemma 'Handlanger'. [N 30, 3a; N 30, 26a; monogr.]
II-9
|
32738 |
groot geploegd middendeel |
de lange voren:
dǝ láŋ vōrǝ (L209p Merselo)
|
Onder het groot geploegd middendeel van een akker wordt verstaan de aan één stuk en meestal in lengtevoren te ploegen hoofdmoot van een akker, die het eerst bewerkt is of wordt. Dit middendeel omvat, op de wendakker(s) en een evt. geerstuk na, de gehele akker. Voor sommige van de hieronder vermelde termen zie men ook het lemma zzoivoor, diep geploegd land. [N 11, 52; N 11A, 125a]
I-1
|
32670 |
groot voorploegwiel |
groot rad:
grūǝt rat (L209p Merselo)
|
Het grote, doorgaans rechter voorploegwiel dat "in de voor" loopt. Van onderstaande termen zijn voorrad, voorwiel, voorrullen ook toepasselijk op het in de voor lopende wiel van een karploeg met twee even grote wielen. Voor het voor-gedeelte van varianten zie men het lemma ploegvoor. [N 11, 31.II.c; N 11A, 97c]
I-1
|
20346 |
grootmoeder |
bestemoeder:
bèstemoeder (L209p Merselo),
bèstemojjer (L209p Merselo, ...
L209p Merselo),
bèstmoeder (L209p Merselo),
grootmoeder:
grotmoeder (L209p Merselo),
grotmōēder (L209p Merselo),
grutmōēder (L209p Merselo, ...
L209p Merselo,
L209p Merselo,
L209p Merselo),
grótmoēder (L209p Merselo),
grötmoēder (L209p Merselo),
grootmoet:
grótmoet (L209p Merselo),
moedersmoeder:
zie id. p. 359
moēdersmoēder (L209p Merselo),
zie id. p. 359; cf. VD s.v. "moer
moērsmoēder (L209p Merselo)
|
grootmoeder [DC 05 (1937)], [SGV (1914)], [SGV (1914)] || grootmoeder van moederszijde || grootmoeder; ik ga bij - en grootmoeder logeren; < 6 jaar [DC 12a (1943)] || grootmoeder; ik ga bij - en grootmoeder logeren; ± 10 jaar [DC 12a (1943)] || grootmoeder; ik ga bij grootvader en grootmoeder logeren; volw. [DC 12a (1943)]
III-2-2
|
20345 |
grootouders |
grootouders:
groewetelders (L209p Merselo),
grótelders (L209p Merselo),
grótâlders (L209p Merselo),
grötelders (L209p Merselo),
grötâlders (L209p Merselo)
|
grootouders [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
25007 |
grootte |
grootte:
grötte (L209p Merselo)
|
grootte [SGV (1914)]
III-4-4
|
20288 |
grootvader |
bestevader:
vroeger; zie ook grootvader; cf. WNT s.v. "bestevader"zeer gewoon in de samentrekking "bestevaar
bestevader (L209p Merselo),
grootvad:
grotvát (L209p Merselo),
grötvát (L209p Merselo),
grootvader:
grutvader (L209p Merselo, ...
L209p Merselo,
L209p Merselo,
L209p Merselo),
J(onger) V(enraays)
grótvader (L209p Merselo),
grötvader (L209p Merselo),
zie ook "bestevader
grōtvader (L209p Merselo),
moedersvader:
zie id. p. 359
moēdersvader (L209p Merselo),
moērsvader (L209p Merselo)
|
grootvader [DC 05 (1937)] || grootvader van moederszijde || grootvader; ik ga bij grootvader en - logeren; < 6 jaar [DC 12a (1943)] || grootvader; ik ga bij grootvader en - logeren; ± 10 jaar [DC 12a (1943)] || grootvader; ik ga bij grootvader en grootmoeder logeren; volw. [DC 12a (1943)]
III-2-2
|
25004 |
grootx |
groot:
groe-et (L209p Merselo),
groewet (L209p Merselo),
grût (L209p Merselo)
|
groot [DC 03 (1934)]
III-4-4
|
33317 |
grote boerderij |
boerderij:
[boerderij] (L209p Merselo),
grote boerderij:
grōtǝ [boerderij] (L209p Merselo),
hof:
hǫf (L209p Merselo),
plaats:
plats (L209p Merselo)
|
Als grootte-aanduiding geven de informanten doorgaans "minstens 10 hectare" op; soms noemt men ook de maximum-grootte erbij, bijvoorbeeld: "van 20 tot 40 ha". Het aantal paarden is vaak ook criterium om van een "groot bedrijf" te spreken, bijvoorbeeld "boerenhof met paarden" (L 213). In het Leuvens materiaal, lijst 35, vraag 59 is gevraagd naar geleg of geleeg, met de betekenis "boerderij met grote landerijen". Naast specifieke termen vindt men tussen de opgaven ook enige omschrijvingen, vooral met behulp van het bijvoeglijk naamwoord groot. Voor de fonetische documentatie van het type boerderij, zie het lemma "boerderij, algemeen" (1.1.1). [A 10, 2c en 3a; L 22, 1a; L 35, 59; monogr.; add. uit L 38, 22]
I-6
|
25060 |
grote hoeveelheid, hoop |
hoop:
een hoop stenen
hoo.up (L209p Merselo),
hopen (mv.):
hø͂ͅup (L209p Merselo),
macht:
Opm. dit is oud Venrays!
maach(t) (L209p Merselo),
Vb. r is enne mách volk òp de bieën. Opm. oud Venrays: maach(t)
mách(t) (L209p Merselo)
|
hoop [SGV (1914)] || hoop, ongeordende stapel || hoopen (mv.) [SGV (1914)]
III-4-4
|