| 34290 |
vertuieren |
hertuieren:
hɛrtai̯ǝrǝ (Q177p Millen)
|
Het verplaatsen van het vee, telkens wanneer een stuk wei is afgegraasd. [L 40, 21b; monogr.]
I-11
|
| 28479 |
verzegelen |
verzegelen:
vǝrzīgǝlǝn (Q177p Millen),
zegelen:
zīgǝlǝn (Q177p Millen)
|
Het sluiten van de cellen door de werkbijen met een dekseltje van was. Dit sluiten of verzegelen gaat onmiddellijk vooraf aan het poppestadium van de larven. [N 63, 23a; Ge 37, 71]
II-6
|
| 23312 |
vespers |
vespers (<lat.):
də vɛspərs (Q177p Millen)
|
de vespers [RND]
III-3-3
|
| 18277 |
vest |
kamizool (<fr.):
kaməzoͅl (Q177p Millen)
|
herenvest zonder mouwen met knopen [wes, west, weemeske, kolder, kamezool, zjielle, ziep, sentje [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18533 |
vestzakje |
kamizoolmaaltje (<fr.):
kaməzoͅlmølkə (Q177p Millen)
|
vestzakje [ziepzekse, weemesteske, vestjestes] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33756 |
veulen |
veulen:
vi̯ø.lǝ (Q177p Millen)
|
Jong paard, gewoonlijk tot de leeftijd van twee en een half jaar. [JG 1a, 1b; A 4, 2d; L 20, 2d; L A1, 262; N 8, 1; Gwn 5, 10; RND 107; S 40; Wi 4; monogr.]
I-9
|
| 22832 |
vieren |
houden:
gəha:tə (Q177p Millen),
vieren:
gəvi.rt (Q177p Millen)
|
gevierd [RND]
III-3-2
|
| 21537 |
vijf centiem |
knabje:
knepke (Q177p Millen)
|
Bestaat er een dialectnaam voor een stuk van 5 centimes? [ZND 28 (1938)]
III-3-1
|
| 21538 |
vijfentwintig centiem |
kwartje:
kwartje (Q177p Millen)
|
Bestaat er een dialectnaam voor een stuk van 25 centimes? [ZND 28 (1938)]
III-3-1
|
| 17768 |
vinger |
vinger:
vinger (Q177p Millen),
vinər (Q177p Millen)
|
Doorn: ik heb een doorn in mijn vinger [ZND 23 (1937)] || vinger [RND]
III-1-1
|