| 33992 |
dekzeil |
deken:
dę.kǝ (Q177p Millen)
|
Zeil dat de rug van het paard bedekt als het regent. [JG 1a, 1b]
I-10
|
| 33916 |
dempig |
demptig:
dɛ.mtex (Q177p Millen)
|
Gezegd van runderen of paarden met dempigheid, een bemoeilijking van de ademhaling; bij runderen is het vaak een naziekte van het mond- en klauwzeer. Het paard vertoont een versnelde ademhaling, gepaard met een temperatuursverhoging en hoesten. Dempigheid of kortademigheid is niet chronisch, in tegenstelling tot ''cornage'' (7.38). [JG 1b; A 48A, 38a; L 1, a-m; L 23, 1a en 1b; N 8, 87, 88 en 89a; N 52, 24; S 6]
I-9
|
| 22087 |
dennennaalden |
dennenspangen:
dennespane (Q177p Millen),
dennespanoje (Q177p Millen)
|
dennenaald [ZND 01 (1922)]
III-4-3
|
| 19167 |
deugniet |
boos kind:
beus keend (Q177p Millen),
deugeniet:
ook materiaal znd 23,4
deugenie (Q177p Millen),
jong:
jeunk (Q177p Millen),
ondeugend kind:
ondeutig keend (Q177p Millen),
snotter:
snatter (Q177p Millen),
wildvang:
wildzang
wildvaank (Q177p Millen)
|
deugniet [ZND 01 (1922)] || een ondeugend kind [ZND 40 (1942)] || kent ge ook een woord of uitdrukking met dezelfde betekenis zonder het woord kind, b.v. een ondeugd, of iets dergelijks ? [ZND 40 (1942)]
III-1-4
|
| 18291 |
deuk in een hoed |
bluts:
bløts (Q177p Millen)
|
deuk in een hoed [dömpel] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 19684 |
deur |
deur:
dø̄.r (Q177p Millen)
|
[rnd 109; S 6; L 1 a-m; L 12, 5; L A2, 265; monogr.; Vld.; div.]
II-9
|
| 33451 |
deurtje in een poortvleugel |
deurtje:
dø̄rkǝ (Q177p Millen),
poortje:
pi̯ø̄tšǝ (Q177p Millen)
|
Om aan personen toegang te verlenen en om dan niet de gehele vleugel te moeten openen is er in een poortvleugel vaak een deurtje, dat meestal niet tot beneden reikt, waardoor men echt binnen moet stappen. Vaak is het zo klein dat men slechts in gebukte houding er door kan. Meestal is de poortvleugel niet gehalveerd. Door de functionele overeenkomst zijn de benamingen soms ook in gebruik voor het onderste deel van een gehalveerde poortvleugel (zie het lemma "onderdeur", 4.1.9). Doorgaans is uit de benamingen voor dergelijke deurtjes in de poorten van schuur en stal op te maken waar ze zich bevinden. Toegevoegd zijn ook de enkele aparte benamingen voor de toegangsdeur náást de poort. Zie ook afbeelding 18.f bij het lemma "poort" (4.1.1). [N 4A, 42b; N 4, 38; JG 1a en 1b; monogr.; add. uit N 5A, 77d]
I-6
|
| 28552 |
dichtmaken van de woning |
toeplekken:
tawplɛkǝn (Q177p Millen)
|
Het dichtmaken van spleten en openingen in de bijenwoning met propolis. [N 63, 53b; N 63, 53a; Ge 37, 142]
II-6
|
| 21310 |
dief |
schelm:
chelm (Q177p Millen)
|
dief [ZND 23 (1937)]
III-3-1
|
| 32690 |
diep |
diep:
dīp (Q177p Millen)
|
In dit lemma worden de plaatselijke varianten gegeven van het woord diep, voorzover dat - evenals de termen voor het tegengestelde begrip (zie het lemma ondiep) - gebruikt wordt of kan worden in verbinding met een werkwoord voor "ploegen". Voor het begrip "diep ploegen (vóór het zaaien)" kent men in bepaalde streken een speciale term waarin het woord diep niet voorkomt. Daarvoor zie men het volgende lemma [JG 1a + 1b; N 11, 39 + 42b + 46; N 11A, 107a + 108a; L 23, 8a; A 20, 1b; A 27, 24b; monogr.]
I-1
|