| 24352 |
mier |
zeikdemmel:
zè.jkdeemel (L163a Milsbeek),
zè.jkdimmel (L163a Milsbeek),
zè.jkdèmmel (L163a Milsbeek),
zeiklem:
zè.jklém(de) (L163a Milsbeek),
zeiklemd:
zè.jklèmd (L163a Milsbeek),
WLD
zeiklémt (L163a Milsbeek)
|
mier || mier [zeikdemp(el), -lem, -meik, -diem, -worm, -mier, moer-, muurzeiker, aomzeiksel, aomezeik] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 24423 |
mierenei |
mierenei:
WLD
mierenei (L163a Milsbeek)
|
mierenei [zeekmoejerseike] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 24424 |
mierenhoop |
mierennest:
WLD
mīērenest (L163a Milsbeek),
zeiklemdennest:
WLD
zeiklémtenest (L163a Milsbeek)
|
mierennest [zeekmoejersnest] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 24353 |
mijt |
teek:
tèèk (L163a Milsbeek)
|
mijt
III-4-2
|
| 33094 |
mijt afdekken |
dekken:
dękǝ (L163a Milsbeek)
|
De korenmijt van een dak voorzien. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). Bij besteken merkt Goossens in zijn materiaal op: "meer speciaal de grote band om de kop". [N 15, 45a; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
I-4
|
| 34112 |
miltkuilen |
miltkuilen:
mēltkȳlǝ (L163a Milsbeek)
|
Holten in het lijf van een niet fraai gebouwde koe. [N 3A, 146; monogr.]
I-11
|
| 34201 |
miltvuur |
miltvuur:
miltvuur (L163a Milsbeek)
|
Miltvuur is een bodemziekte. De smetstof blijft in de vorm van sporen jarenlang buiten het lichaam in de grond levensvatbaar. Door graven, door verschil in waterstand, misschien ook door mollen en regenwormen komen de sporen naar boven. Als het vee ze opneemt met het voedsel of binnenkrijgt door wonden, groeien ze in het lichaam uit en verspreiden zich met het bloed naar alle organen. Deze dodelijke ziekte heeft een snel verloop. Soms sterven de dieren zonder dat er voorafgaande verschijnselen konden worden opgemerkt ineens onder krampachtige stuipen. Meestal worden ze vrij plotseling hevig ziek met hoge koorts en verschijnselen van pijn en zijn ze binnen 24 uur dood. Bloedige uitvloeiingen uit neus, mond, aars en kling komen veel voor, vooral na de dood. De slijmvliezen zijn hoog roodblauw gekleurd (Berns 1983, blz. 141). Zie ook het lemma ''miltvuur'' in wbd I.3, blz. 475-476. [N 3A, 87; A 48A, 22; monogr.]
I-11
|
| 24544 |
mispel |
mispel:
mispel (L163a Milsbeek)
|
mispel
III-4-3
|
| 25166 |
mist, nevel (alg.) |
mist:
mist (L163a Milsbeek)
|
mist [domp, mok, moek] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 29662 |
modderkar |
houteren wagen:
høltǝrǝ wǭgǝ (L163a Milsbeek
[(bestuurd door de teugelaar: tø̄̄gǝlǝr)]
)
|
De kruiwagen of kar waarmee de bereide klei naar de vormtafel wordt vervoerd. [N 98, 72; monogr.]
II-8
|