e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Milsbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
waterblaas waterblaas: wǭtǝrblǭs (Milsbeek) De eerste met vocht gevulde blaas die de weg baant voor het kalf. [N 3A, 52a] I-11
waterdamp, wasem blaak: blōͅk (Milsbeek) damp, rook, wasem III-2-1
waterdichte laars lieslaars: liĕsléérs (Milsbeek), waterlaars: waotərléérs (Milsbeek) Hoge laarzen met een schacht tot in de lies en waterdicht, met gekliefde naden in de schacht. (waterlaars, lieslaars?) [N 60 (1973)] III-1-3
waterhoen poepeendje: poepé.ndje (Milsbeek) waterhoentje III-4-1
waterketel, moor ketel: kéétel (Milsbeek), moor: mōr (Milsbeek) (zwart geblakerde) waterketel || waterketel van koper of ijzeren met hengsel en tuit (moor, meur) [N 20 (zj)] III-2-1
waterlossing graaf: grāf (Milsbeek), greb: greb (Milsbeek) Greppel die men door een te ontginnen moeras graaft, om het water kwijt te raken. De opgaven bestrijken heel de provincies Limburg. [I, 61; N 27, 22] II-4
waterplant kruid: kruud (Milsbeek) rivierkruid III-4-3
waterput put: pøt (Milsbeek) [N 12 (1961)] I-7
waterring van de mijt ring: rēŋk (Milsbeek) Waterring, waterlaag of kaplaag van de korenmijt. De laag schoven die het verst naar buiten steekt, juist waar de kap begint. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). Voor euze enz. vergelijk wnt XI, onder oozie, ooziedrup enz., "het gedeelte van het dak dat over den muur uitsteekt en het regenwater afwerpt", "afdak" dus. Zie afbeelding 8, a. [N 15, 45c; JG 1a, 1b, 2c; monogr.] I-4
waterstenen kleefkanten: klē̜fkāntǝ (Milsbeek) Stenen uit vormen die niet met zand bestrooid waren, maar alleen nat gemaakt werden. [N 98, 162; monogr.] II-8