| 32690 |
diep |
diep:
dīp (L163a Milsbeek)
|
In dit lemma worden de plaatselijke varianten gegeven van het woord diep, voorzover dat - evenals de termen voor het tegengestelde begrip (zie het lemma ondiep) - gebruikt wordt of kan worden in verbinding met een werkwoord voor "ploegen". Voor het begrip "diep ploegen (vóór het zaaien)" kent men in bepaalde streken een speciale term waarin het woord diep niet voorkomt. Daarvoor zie men het volgende lemma [JG 1a + 1b; N 11, 39 + 42b + 46; N 11A, 107a + 108a; L 23, 8a; A 20, 1b; A 27, 24b; monogr.]
I-1
|
| 24899 |
dinsdag |
dinsdag:
din(g)sdag (L163a Milsbeek)
|
dinsdag
III-4-4
|
| 31706 |
dissel |
korte dissel:
kǫrtǝ disǝl (L163a Milsbeek)
|
Een (korte of lange) boom of balk die aan het voorste asblok van de driewielige kar, de boomwagen of de wagen bevestigd is. De bespanning van de paarden wordt aan deze balk bevestigd. Naargelang de lengte onderscheidt men de korte of kromme dissel (meestal te vinden bij de driewielige kar en de boomwagen), waaraan ten hoogste twee paarden ingespannen konden worden en de lange dissel (meestal te vinden bij de wagen), waaraan twee of meer paarden ingespannen konden worden. De woordtypen die via een attribuut één van deze twee disseltypen aanduiden zijn samengebracht op het einde van het lemma. [N 17, 44a + 50b; N G, 70i-j; JG 1b; JG 1c; JG 1d; JG 2b; A 27, 19 + 21 + 22a; Lu 5, 19 + 21 + 22a; Wi 15; R 3, 93; L 33, 32; monogr.]
I-13
|
| 32861 |
distelschopje |
disselschup:
[dissel]sxøp (L163a Milsbeek)
|
De kleine schop met een stevig, smal (4 à 5 cm) blad en een lange steel of een handvat, speciaal voor het uitsteken van distels. Volgens de zegsman van K 278 voldoet dit gereedschap echter niet goed, want "distels steken is distels kweken; distels trekken is distels nekken"; hij gebruikt er dan ook een haak voor, om de distel met wortel en al uit te trekken. Uit Q 71 wordt nog gemeld dat dit schopje door de boer gewoonlijk zelf gemaakt wordt van een oude zeis; en uit L 330 dat, wanneer een boer wegens ouderdom met het boeren ophield, hij heel vroeger een distelschopje om zijn nek gebonden kreeg, als teken dat hij met het werk op het land stopte. In P 44 is "boomschupje" opgegeven; waarschijnlijk werd voor het uitsteken van distels hetzelfde gereedschap gebruikt als voor het ontschillen van gevelde bomen. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel ''distel'' zie het lemma ''distel''. Zie afbeelding 3.' [N 18, 18a; monogr.]
I-3
|
| 20419 |
dode |
lijk:
liek (L163a Milsbeek)
|
lijk
III-2-2
|
| 19118 |
doen |
doen:
Duude gillie ok mit Wa duun de pógge vandaag (kosten) Wat duut hij tèggeworrig (beroep) Da duut mien niks (emotie) O.ns Moet duut de keu.ke goe.d (schoonmaken) De kné.cht duut ¯t mit de mè.jd Duut ¯s lache. Duut hin (afscheidsgroet)
doe.n (L163a Milsbeek)
|
doen
III-1-4
|
| 24137 |
doffer, mannelijke duif |
haan:
hôn (L163a Milsbeek),
hoorn:
haoren (L163a Milsbeek),
horn (L163a Milsbeek)
|
doffer
III-4-1
|
| 18983 |
dom |
stom:
Da is ¯n stómme fowt De mó.nde bleeve stóm Stóm vé.rke, da ge ziet Stóm van verdrie.t zat ze dor Da is ¯t stómst wa ge kunt doe.n
stóm (L163a Milsbeek)
|
dom, stom
III-1-4
|
| 18799 |
domme man |
blaaspijp:
Gïj hèt ¯t wèr verkeerd gedaon, blaospie.p da ge ziet
blaospie.p (L163a Milsbeek),
dibbes:
Ló.mpen dubbes da ge ziet
dubbes (L163a Milsbeek),
dode:
(van : dode, dooie?) Ge hèt de knöpsgatter én de verkeerde ka.nt gezèt, dojjer
dojjer (L163a Milsbeek),
uil:
Wa ziede toch ennen uul
uul (L163a Milsbeek),
uilskuiken:
Da uulskuuke had ör brood vergèète
uulskuuke (L163a Milsbeek)
|
dommerik || slomerik, dommerik || stomkop || sul, stommerik || uilskuiken, dommerik
III-1-4
|
| 18800 |
domme vrouw |
doos:
Mötte die kleer zien; wat ¯n doos
doos (L163a Milsbeek)
|
slome, domme vrouw
III-1-4
|