| 33525 |
druiventros |
druiventros:
droeventros (Q199p Moelingen, ...
Q199p Moelingen)
|
[ZND 01 (1922)] [ZND 33 (1940)]
I-7
|
| 25133 |
druppel |
druppel:
en dröppel (Q199p Moelingen)
|
druppel water [dröp, dröppel] [N 07 (1961)]
III-4-4
|
| 22021 |
duif (alg.) |
duif:
douf (Q199p Moelingen)
|
Duif. [Willems (1885)]
III-3-2
|
| 24139 |
duif, algemeen |
duif:
douf (Q199p Moelingen),
doͅuf (Q199p Moelingen),
doͅ‧u.f (Q199p Moelingen)
|
duif [Willems (1885)]
III-4-1
|
| 22787 |
duiken |
duikelen:
dukele (Q199p Moelingen),
ü of oe?
dukelen (Q199p Moelingen),
plongeren (<fr.):
a van planzjeeren zoals in Franse dans
int water planzjeeren (Q199p Moelingen)
|
Duikelen. [Willems (1885)] || In het water duiken. [ZND 33 (1940)]
III-3-2
|
| 21965 |
duivenhok |
duivenste:
`t doeveste (Q199p Moelingen),
doevenste (Q199p Moelingen),
duivenstee:
dūvǝstē (Q199p Moelingen)
|
Duivenkot. [Willems (1885)] || Hoe heten de standplaatsen van de verschillende huisdieren, namelijk het duivenhok? [ZND 38 (1942)] || Soms vindt men in de nok van de zolder een afgeschotte ruimte voor de duiven, die door een gat in de gevel of in het dak in en uit kunnen vliegen. Hier staan de benamingen voor het duivenhok, ongeacht de vorm van dat hok, bijeen. De termen slag en spijker in dit lemma hebben betrekking op de duivenkooi als geheel. Zie ook het lemma "duivenslag" (3.4.8). In kaart 51 zijn voor Belgisch Limburg alleen de mondeling verzamelde gegevens in kaart gebracht. Zie afbeelding 17. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 10, 9k; L 8, 9a; L 38, 31; S 37; monogr. add. uit N 5A, 58c "til" en JG 2c; A 28, 14c "spijker]
I-6, III-3-2
|
| 24141 |
duivin, vrouwelijke duif |
wijfje:
wifke (Q199p Moelingen),
zij:
zij (Q199p Moelingen)
|
duif, wijfje [ZND 39 (1942)]
III-4-1
|
| 18006 |
duizelig |
dol:
zôê wuurste döl (Q199p Moelingen),
duizelig:
zôê wuurste duu‧zeleg (Q199p Moelingen)
|
dol worden, iemand die lang heeft of is rondgedraaid [N 07 (1961)] || duizelig worden, iemand die een harde slag op zijn hoofd heeft gekregen [N 07 (1961)]
III-1-2
|
| 19310 |
durven |
dorren:
derre (Q199p Moelingen)
|
durven [ZND m]
III-1-4
|
| 17895 |
duwen |
duwen:
døwə (Q199p Moelingen)
|
duwen [RND]
III-1-2
|