| 22994 |
fluit |
fluit:
fleuët (Q199p Moelingen),
fluitje:
fleutje (Q199p Moelingen)
|
Fluit. [Willems (1885)]
III-3-2
|
| 22995 |
fluiten |
fluiten:
fleute (Q199p Moelingen)
|
Fluiten. [Willems (1885)]
III-3-2
|
| 20586 |
fruit bewaren |
moutselen:
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m, 38-51
moetchelle (Q199p Moelingen)
|
leggen de kinderen fruit te rijpen in verborgen hoekjes; hoe noemen zij dat: meuken of iets dergelijks? [ZND 01u (1924)]
III-2-3
|
| 19094 |
futloze jongen |
lummel:
dat es ene lemmel (Q199p Moelingen)
|
Dat is een lummel (futloze kerel). [ZND 37 (1941)]
III-1-4
|
| 17807 |
gaan |
gaan:
goon (Q199p Moelingen)
|
gaan [ZND m]
III-1-2
|
| 22733 |
gaffel |
vork:
Fr. un e
de veurk (Q199p Moelingen)
|
Worden de voorste kegels niet dichter bij elkaar geplaatst? Hoe noemt men dat? [ZND 36 (1941)]
III-3-2
|
| 25001 |
gat, opening |
lok:
luoͅ.k (Q199p Moelingen)
|
gat
III-4-4
|
| 33705 |
gegraven waterloop |
goot:
gø̜t (Q199p Moelingen)
|
In het algemeen is in dit lemma sprake van een gegraven waterloop als afscheiding of om overtollig water af te voeren of om te bewateren. In dialectenquêtes zijn er veel vragen gesteld naar de benamingen voor een sloot, graaf of gracht. In de antwoorden bleek veel overlap te zitten. Het gaat hier om waterlopen die verschillend van breedte kunnen zijn. Omdat de antwoorden hierover niet eenduidig waren, was het niet mogelijk aan een begrip een vaste breedte toe te kennen. Algemeen kan men zeggen dat een gracht een bredere sloot is, een graaf een wat bredere, vaak droge sloot, en dat een goot, grub en zouw wat smallere waterlopen zijn. Het overeenkomstige bij alle waterlopen is dat ze gegraven zijn. [N 27, 24; AGV, m1; A 20, 1c; A 20, 1d; A 10, 21; A 2, 48; L 24, 27; L 1a-m; L 36, 4; L A1, 62; Lu 1, 5; R 14, 23j; S 11, 33; monogr.]
I-8
|
| 27539 |
geit |
geit:
gēt (Q199p Moelingen),
geitje:
gētjǝ (Q199p Moelingen)
|
Geit in het algemeen. Ten aanzien van germ merken enkele informanten (L 292 (Heythuysen), Q 99 (Meerssen), 111* (Ransdaal)) op dat hiermee een vrouwelijke geit wordt bedoeld. Zie afbeelding 7. [N 77, 74; L 14, 32; A 9, 20; JG 1a, 1b; Wi 7; NE I, 16; AGV, m3; Gwn 5, 13; Vld.; monogr.; S, Q 105 add.; S 10, add.]
I-12
|
| 33401 |
geitestal |
geitestal:
gęi̯te[stal] (Q199p Moelingen)
|
De ruimte in de stal waar de geiten zich bevinden. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2). [L 38, 29; A 10, 9g; monogr.]
I-6
|