| 33674 |
grond, aarde |
grond:
grōnt (Q199p Moelingen)
|
De algemene benaming. [S 1, 7, 11, 42; Wi 52; R III, 5, 6, 7, 8; L A1, 150; Vld.; N 18, add.; monogr.]
I-8
|
| 25004 |
grootx |
groot:
grūt (Q199p Moelingen),
grūt(ə) (Q199p Moelingen)
|
groot
III-4-4
|
| 22721 |
grote knikker: glazen knikker |
glazeren huib:
glazərn høib (Q199p Moelingen)
|
Knikker: de grote (glazen of stenen). [ZND 16 (1934)]
III-3-2
|
| 22764 |
grote knikker: stenen knikker |
stenen huib:
stɛŋə høib (Q199p Moelingen)
|
Knikker: de grote (glazen of stenen). [ZND 16 (1934)]
III-3-2
|
| 29733 |
haag |
haag:
hāx (Q199p Moelingen)
|
Omheining van levend hout ter afpaling van een erf of een stuk land. Men kent verschillende soorten hagen onder andere beukenhaag, elzenhaag, ligusterhaag, meidoornhaag, taxushaag en vlierhaag. [N 14, 62; RND 20; Wi 9; S 13, add.; Vld.; A 25, 4a; L 1a-m; L B2, 279; JG 1b, add.; L 32, 45; monogr.]
I-8
|
| 24876 |
haagwinde |
berwinde:
bǝrwęŋ (Q199p Moelingen),
bərweͅŋ (Q199p Moelingen),
-
bərweng (Q199p Moelingen),
pispot:
pispotə (Q199p Moelingen),
pispotje:
-
pispot(-je/-teken) (Q199p Moelingen),
pispotten:
pespǫtǝ (Q199p Moelingen)
|
Calystegia sepium (L.) R.Br. Zeer algemeen voorkomend onkruid vooral op bouwlanden en vochtige gronden, klimmend in heggen en dergelijke met een tot 3 meter lange, windende, vrijwel kale stengel en hart- tot pijlvormige bladeren. De grote klokvormige bloemen zijn wit (soms roze) van kleur. De plant bloeit van juni tot september en is meer bekend onder de naam pispotjes (Convolvulus sepium L.). Bij de naamgeving wordt vaak geen onderscheid gemaakt of vindt verwisseling plaats met de kleinere, kruipende akkerwinde (zie lemma Akkerwinde). De volgorde van de varianten van het type winde is: 1. de tweelettergrepige woorden; 2. in de eenlettergrepige naar klinker: /e - ē - ę - i/. Zie Pauwels 1933 en Brok 1991. [JG 1c, 2c; A 17, 6a; L 1, a-m; L 1u, 80; L 15, 5; S 11; monogr.; add. uit JG 1b] || haagwinde || hagewinde [ZND 01 (1922)]
I-5, III-4-3
|
| 34471 |
haan |
haan:
haan (Q199p Moelingen)
|
Het mannetje van de hoenderen. [N 19, 39; A 39, 3c; A 6, 1a; A 2, 30; L 7, 27; L 14, 19; L 26, 17; L 1a-m; JG 1a, 1b; Wi 13; Wi 17; Gwn 5, 15 add.; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 17748 |
haar |
haar:
ho:r (Q199p Moelingen)
|
haar (op het hoofd) [RND]
III-1-1
|
| 20782 |
haas |
haas:
haas (Q199p Moelingen)
|
haas [Willems (1885)]
III-4-2
|
| 27379 |
hak |
hak:
hak (Q199p Moelingen)
|
De verhoging, al of niet geheel of gedeeltelijk van leer, onder de hiel van de voet. [N 60, 233c; N 60, 126a; N 60, 169a; L 48, 28a; L 48, 28b; L 1a-m; L 1u, 82; L 5, 50; N 7, 37b; L 29, 42; monogr.]
II-10
|