| 33615 |
tuinman, boomkweker |
boomkweker:
JK Begrip te splitsen? veel samenstellingen met boom- uit RND zijn geconstrueerd; de andere hebben de ruimere betekenis van tuinman.
bømkwēkər (Q199p Moelingen),
gardenier:
JK Begrip te splitsen? veel samenstellingen met boom- uit RND zijn geconstrueerd; de andere hebben de ruimere betekenis van tuinman.
gardənēr (Q199p Moelingen)
|
[RND 08]
I-7
|
| 23251 |
tweede luiden voor de mis |
kleppen:
Fr. e klank
⁄t klept (Q199p Moelingen)
|
Veelal wordt de kerkklok tweemaal gehoord voor men naar de mis gaat; hoe zegt men wanneer men ze voor de tweede maal hoort? [ZND 36 (1941)]
III-3-3
|
| 33788 |
uier |
uier:
ȳi̯ǝr (Q199p Moelingen)
|
De melkklier van de koe zoals zij zich uitwendig vertoont onder aan de buik. Op de kaart is het woordtype uier niet opgenomen. [JG 1a, 1b; Gwn V, 7; L 8, 24a; L 14, 27a; RND 127; S 38; Wi 51; monogr.]
I-11
|
| 24260 |
uil |
uil:
ul (Q199p Moelingen)
|
uil [Willems (1885)]
III-4-1
|
| 22343 |
uitsliepen |
sliepuit doen:
sliep oet doen (Q199p Moelingen),
uitsliepen:
oetsliepen (Q199p Moelingen)
|
uitsliepen [sliep oet doon] [N 07 (1961)]
III-3-2
|
| 21387 |
unster |
ponder:
een punder (Q199p Moelingen)
|
De Romeinse balans, bestaande uit een stok waarover een gewicht heen en weer geschoven wordt. [ZND 33 (1940)]
III-3-1
|
| 22465 |
vaandel |
vaandel:
e vāēndel (Q199p Moelingen)
|
Vaandel. [Willems (1885)]
III-3-2
|
| 28963 |
vademen |
invamen:
envǫwjǝmǝ (Q199p Moelingen)
|
Een draad door het oog van een naald halen. In dit lemma zijn de objecten draad, garen, draad garen, vaam, vaam garen niet gedocumenteerd. [N 59, 68; N 62, 10; L 8, 29; L B1, 76; MW; monogr.]
II-7
|
| 17822 |
vallen |
vallen:
valle (Q199p Moelingen),
[~an]
vallen (Q199p Moelingen)
|
vallen [ZND m]
III-1-2
|
| 17824 |
vangen |
vangen:
vange (Q199p Moelingen)
|
vangen [ZND m]
III-1-2
|