| 34001 |
inspannen |
inspannen:
e.nspanǝ (L319p Molenbeersel)
|
Het opgetuigde paard voor een kar met berries spannen. Men plaatst het tussen de berries, waaraan de draagriem, de brede buikriem, en de strengen worden vastgemaakt. Voor andere voer- en landbouwwerktuigen wordt het paard niet in- maar aangespannen. De term inspannen werd echter ook enkele keren in de hier behandelde betekenis opgegeven. [JG 1b; N 8, 98a; RND 74]
I-10
|
| 20827 |
inzouten |
zouten:
zōͅtə (L319p Molenbeersel)
|
zouten [ZND 08 (1925)]
III-2-3
|
| 21562 |
italiaan |
italiaander:
è als in het Frans
det is nen Iteljènder (L319p Molenbeersel)
|
Dat is een Italiaan. [ZND 36 (1941)]
III-3-1
|
| 18259 |
jak |
manteltje:
mäntəlkə (L319p Molenbeersel)
|
jak (kort vrouwenkledingstuk) [ZND 27 (1938)]
III-1-3
|
| 18996 |
jaloers |
jaloers:
ook materiaal znd 27, 44
žalūrs (L319p Molenbeersel)
|
jaloers [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 18193 |
jas: algemeen |
jas:
jas (L319p Molenbeersel, ...
L319p Molenbeersel)
|
jas [ZND 06 (1924)], [ZND 08 (1925)]
III-1-3
|
| 20561 |
jenever |
foezel:
foezel (L319p Molenbeersel),
jenever:
jenèver (L319p Molenbeersel),
žənēͅver (L319p Molenbeersel),
schnaps (du.):
snaps (L319p Molenbeersel)
|
jenever [ZND 01u (1924)]
III-2-3
|
| 20405 |
jeugd, jongelieden |
jongvolk:
jonkvolk (L319p Molenbeersel)
|
jeugd, dat is goed voor de jeugd (de jonge lieden) [ZND 36 (1941)]
III-2-2
|
| 20196 |
jong (bijv.nw.) |
jong:
znd 1 a-m; znd 27, 46;
jŏĕnk (L319p Molenbeersel)
|
jong; het kind is nog jong [ZND 27 (1938)]
III-2-2
|
| 20310 |
jong (bn.) |
jong:
znd 1 a-m; znd 27, 46;
jŏĕnk (L319p Molenbeersel)
|
jong; het kind is nog jong [ZND 01 (1922)]
III-2-2
|