| 22837 |
beeld |
beeld:
bê.lt (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
Beeld. [ZND m], [ZND m]
III-3-2
|
| 33660 |
beemd |
band/bend:
bę.nǝt (Q253p Montzen),
bęnǝt (Q253p Montzen)
|
Het begrip beemd is, getuige ook de bronnenopgave bij dit lemma, vaak afgevraagd. Op grond van de informatie die de informanten bij hun antwoord gaven, springen er twee betekenissen uit van beemd. De eerste is ø̄lager gelegen, vochtig weilandø̄ en de tweede is ø̄hooiweide of hooilandø̄. Een aantal informanten vermeldt erbij dat beemd weiland is aan de Maas of aan een beek. Enkele andere bijvoegingen zijn: ø̄slechte wei met veel onkruidø̄, ø̄grasland zonder omheiningø̄, ø̄weiland met enkele bomenø̄, ø̄stuk zure grondø̄. De lage ligging wordt nogal eens als een slechte eigenschap, als minderwaardig, gewaardeerd. Sommige informanten geven aan dat een beemd iets anders is dan een broek. Mede door de diverse bijvoegingen bij de antwoorden zijn de beemd-opgaven daarom niet verwerkt in lemma 1.3.2 ɛlaaggelegen weidegrondɛ, waarin de broek-opgaven domineren. Binnen de woordtypen beemd en band/bend is niet altijd met zekerheid te zeggen of ze enkel- of meervoud zijn. Waar dit met zekerheid te zeggen is, is dit aangegeven.' [N 14, 53; N 14, 52; N 14, 50a; N 14, 50b; N 6, 33b; N P, 5; JG 1a, 1b, 1c; L 19b, 2aI; L 1a-m; L 4, 40; A 10, 4; S 2, 5, 43; Wi 6; RND 20; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 17771 |
been |
been:
bê.n (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
been [ZND 21 (1936)], [ZND m]
III-1-1
|
| 17561 |
been, beenderen |
knook:
kno.ək (Q253p Montzen)
|
Knochen, been [ZND m]
III-1-1
|
| 20193 |
beenderen op het kerkhof |
knoken:
znd 21, 009c
knôôke (Q253p Montzen)
|
beenderen (op het kerkhof) [ZND 19 (1936)]
III-2-2
|
| 25053 |
beetje, een weinig |
kiet:
kî.t (Q253p Montzen)
|
weinig (subst.) [ZND m]
III-4-4
|
| 24092 |
begijn |
begijn:
də bəgiŋ (Q253p Montzen)
|
De bewoonster van een begijnhof [begien]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 20434 |
begrafenismaal |
maal:
ət maol (Q253p Montzen)
|
het begrafenismaal [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 22906 |
beieren |
beieren:
bajere (Q253p Montzen),
de klokken doen zwenken:
de klokke douë zwēŋke (Q253p Montzen),
luiden:
de klokke loege (Q253p Montzen)
|
Hoe zegt men : de klokken beieren?. [N 96A (1989)] || Luiden (beieren). [ZND m]
III-3-3
|
| 23220 |
beieren add. |
tarlateren:
tarlatere (Q253p Montzen)
|
Luiden (beieren). [ZND m]
III-3-3
|