e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
kuipgelooid leer rein eik: reŋ ę̄k (Montzen), rein eikeleer: reŋ ę̄kǝlę̄r (Montzen) Leer dat in kuipen met schorsmeel, in het bijzonder met eikeschors, gelooid wordt, meestal in combinatie met enkele andere plantaardige looistoffen of restvochten van vorige looiingen of aftreksels van reeds gebruikte looivochten (zie Van Vlimmeren, pag. 161 en Van Herwijnen, pag. 182-184. Via deze natuurlijke wijze van looien krijgt men een zeer goed produkt. [N 60, 60a; N 60, 247] II-10
kuis, ingetogen kuis: kø̄jsj (Montzen) kuis, zuiver [N 96D (1989)] III-2-2
kuisheid kuisheid: k"jsjhēt (Montzen) Kuisheid, zuiverheid. [N 96D (1989)] III-3-3
kuit brade: brāūne (Montzen), brōͅ:n (Montzen, ... ) kuit (van een been) [ZND m] || kuit (van het been) [ZND 01u (1924)] III-1-1
kuitbroek knieboks: knēboks (Montzen) een kuit- of kniebroek [N 59 (1973)] III-1-3
kunst kunst: konst (Montzen) Kunst. [ZND m] III-3-2
kunstmest strooien (kunstmest) strooien/strouwen: štrø̜i̯ǝ (Montzen  [(machinaal)]  ) Het strooien van kunstmest over het land gebeurt met de hand of met een machine. Voor beide zijn de benamingen meestal identiek. Slechts waar er voor het strooien met de hand en het machinaal strooien verschillende benamingen bestaan, wordt dit in het lemma aangegeven door "met de hand", resp. "machinaal" achter het plaatsnummer. [N 11, 24; N 11A, 63a + 64a + 65a; N P, 10a + b; JG 1b add.] I-1
kunstraat fabrieksraat: fabriksrǭǝt (Montzen) Middenwand van zuivere bijenwas gegoten en voorzien van cellenindruksels op het formaat van fijn werk. Wanneer de kunstraat in het midden van het raam bevestigd wordt, bouwen de bijen het raam uit tot een gelijkmatige raat fijn werk. Kunstraat dient om bijen te dwingen raten in de raampjes te bouwen. [N 63, 14c] II-6
kussensloop kusdek: køͅs˂dēͅk (Montzen, ... ), kustijk: køͅstēk (Montzen, ... ), tijk: t‧ēk (Montzen, ... ) de kussensloop (waarin het hoofdkussen wordt gestoken) [ZND 17 (1935)] || kussensloop [ZND 01 (1922)] || kussensloop; overtrek van een hoofdkussen [ZND 02 (1923)] III-2-1
kwaken roepen: roepen (Montzen) Het geluid dat de koninginnen maken net vóór ze uit de cel komen. Waarschijnlijk luistert de jonge, nog niet uitgelopen moer, of zij antwoord van een mogelijke mededingster krijgt op dit gekwaak. Als dit niet het geval is, kan ze de moercel verlaten. [N 63, 32a; N 63, 33a; Ge 37, 43] II-6