| 30829 |
kuipgelooid leer |
rein eik:
reŋ ę̄k (Q253p Montzen),
rein eikeleer:
reŋ ę̄kǝlę̄r (Q253p Montzen)
|
Leer dat in kuipen met schorsmeel, in het bijzonder met eikeschors, gelooid wordt, meestal in combinatie met enkele andere plantaardige looistoffen of restvochten van vorige looiingen of aftreksels van reeds gebruikte looivochten (zie Van Vlimmeren, pag. 161 en Van Herwijnen, pag. 182-184. Via deze natuurlijke wijze van looien krijgt men een zeer goed produkt. [N 60, 60a; N 60, 247]
II-10
|
| 20463 |
kuis, ingetogen |
kuis:
kø̄jsj (Q253p Montzen)
|
kuis, zuiver [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 23956 |
kuisheid |
kuisheid:
k"jsjhēt (Q253p Montzen)
|
Kuisheid, zuiverheid. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 17773 |
kuit |
brade:
brāūne (Q253p Montzen),
brōͅ:n (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
kuit (van een been) [ZND m] || kuit (van het been) [ZND 01u (1924)]
III-1-1
|
| 18545 |
kuitbroek |
knieboks:
knēboks (Q253p Montzen)
|
een kuit- of kniebroek [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 22818 |
kunst |
kunst:
konst (Q253p Montzen)
|
Kunst. [ZND m]
III-3-2
|
| 32627 |
kunstmest strooien |
(kunstmest) strooien/strouwen:
štrø̜i̯ǝ (Q253p Montzen
[(machinaal)]
)
|
Het strooien van kunstmest over het land gebeurt met de hand of met een machine. Voor beide zijn de benamingen meestal identiek. Slechts waar er voor het strooien met de hand en het machinaal strooien verschillende benamingen bestaan, wordt dit in het lemma aangegeven door "met de hand", resp. "machinaal" achter het plaatsnummer. [N 11, 24; N 11A, 63a + 64a + 65a; N P, 10a + b; JG 1b add.]
I-1
|
| 28459 |
kunstraat |
fabrieksraat:
fabriksrǭǝt (Q253p Montzen)
|
Middenwand van zuivere bijenwas gegoten en voorzien van cellenindruksels op het formaat van fijn werk. Wanneer de kunstraat in het midden van het raam bevestigd wordt, bouwen de bijen het raam uit tot een gelijkmatige raat fijn werk. Kunstraat dient om bijen te dwingen raten in de raampjes te bouwen. [N 63, 14c]
II-6
|
| 19632 |
kussensloop |
kusdek:
køͅs˂dēͅk (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen,
Q253p Montzen),
kustijk:
køͅstēk (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen,
Q253p Montzen),
tijk:
t‧ēk (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen,
Q253p Montzen)
|
de kussensloop (waarin het hoofdkussen wordt gestoken) [ZND 17 (1935)] || kussensloop [ZND 01 (1922)] || kussensloop; overtrek van een hoofdkussen [ZND 02 (1923)]
III-2-1
|
| 24341 |
kwaken |
roepen:
roepen (Q253p Montzen)
|
Het geluid dat de koninginnen maken net vóór ze uit de cel komen. Waarschijnlijk luistert de jonge, nog niet uitgelopen moer, of zij antwoord van een mogelijke mededingster krijgt op dit gekwaak. Als dit niet het geval is, kan ze de moercel verlaten. [N 63, 32a; N 63, 33a; Ge 37, 43]
II-6
|