| 17833 |
moe |
moe:
my.i (Q253p Montzen),
my.y. (Q253p Montzen),
my: (Q253p Montzen),
mö (Q253p Montzen),
mø-i̯ (Q253p Montzen)
|
moe [RND], [ZND m] || Wij zijn moe en we hebben dorst. [ZND 04 (1924)]
III-1-2
|
| 19198 |
moed |
moed:
Ë open
mūt (Q253p Montzen)
|
moed [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 20331 |
moeder |
mama:
mama (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
moeder:
modər (Q253p Montzen),
moodder (Q253p Montzen),
moodər (Q253p Montzen),
mōēdər (Q253p Montzen),
cf. VD s.v. "IV. moer"gemeenz. moeder
mōēr (Q253p Montzen)
|
moeder [ZND 01 (1922)], [ZND 04 (1924)] || moeder; hoe lang blijft ge nu bij me, Moeder [ZND 09 (1925)] || moeder; welke woorden hoort men uit de kindermond voor moeder [ZND 11 (1925)]
III-2-2
|
| 23397 |
moeder van smarten |
moedergods met de dode christus op de schoot:
modergòts met der duëde krestes op ene sjoeëtsj (Q253p Montzen)
|
Een beeld van Maria die het dode lichaam van Jezus op de schoot draagt, piëta [moeder van smarten?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24091 |
moeder-overste |
overste:
də øvəsjtə (Q253p Montzen)
|
De moeder(overste) in een vrouwenklooster [mameer, moederover-ste, opperste, maer]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 17567 |
moedervlek |
wijnvlek:
wīnvlɛk (Q253p Montzen)
|
Moedervlek: een aangeboren bruine vlek op de huid (moedervlek, moederplek, peperkoor, pepervlek). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 17944 |
moeilijk vooruitkomen |
schravelen:
ṣravələ (Q253p Montzen)
|
Moeilijk vooruit komen (schravelen, taffelen, stachelen, strompelen). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 33700 |
moeras |
moerast:
morā.st (Q253p Montzen)
|
Waterachtig, laaggelegen, drassig land, broekland, gebied zonder behoorlijke afwatering. [N 27, 20; N 14, 53; N 6, 33b; R 3, 9; A 2, 57; RND 20; Wi 17; Wi 54; L 19B, 2aI; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 28626 |
moerkooitje |
käfig:
kɛ̄vǝx (Q253p Montzen)
|
Het huisje waarin de imker jonge, onbevruchte koninginnen in voorraad heeft. Het model varieert. De informant van L 246 zegt dat het vroeger van vlierenhout werd gemaakt. [N 63, 100a; Ge 37, 164; monogr.]
II-6
|
| 33556 |
moestuinx |
gaarde:
gādə (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
g‧ādə (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
koolhof:
kollef (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen,
Q253p Montzen),
k‧oͅləf (Q253p Montzen)
|
[N M (1965)] [ZND 01 (1922)] [ZND 04 (1924)] [ZND 04 (1924)] [ZND 19B (1936)]
I-7
|