| 23858 |
processiestrooisel |
strooisel:
sjtøjsəl (Q253p Montzen)
|
Strooisel bestaande uit bloemen, stukgesneden stengels en bladeren en stroopsel van varens waarmee de straten versierd worden [sjtreupsel]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23861 |
processievaantjes |
vaantjes:
??
vɛnsjərə (Q253p Montzen)
|
De vaandeltjes die in de processiestoet worden meegedragen [persessieveendelkes]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23930 |
profeet |
profeet:
ənə profēt (Q253p Montzen)
|
Een profeet [profieët]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 18190 |
pronkveer op een hoed |
pluim:
-, plümke (Q253p Montzen),
plüm (Q253p Montzen),
veer:
vèr, vèrəkə (Q253p Montzen)
|
pluim [ZND m] || Pluim, pluimpje. [ZND 05 (1924)]
III-1-3
|
| 28551 |
propolis |
kit:
kit (Q253p Montzen)
|
Harsachtige stof waarmee de werkbijen alle openingen en naden van hun woning dichtkitten tegen tocht, kou en waterdamp. De propolis wordt ook gebruikt om te effenen en raten te versterken. De werksters halen deze stof uit bloemknoppen en harsdruppels van naaldbomen. Zelfs verf, teer of asfalt kunnen er de grondstof voor zijn. [N 63, 53a, N 63, 53b; Ge 37, 141; monogr.]
II-6
|
| 22310 |
proppenschieter |
knapbus:
knabös (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
knapbeus (Q253p Montzen)
|
Een klakkebus (cilindervormig kinderspeeltuig van uitgehold vlierout, waarmede een prop wordt weggeschoten). [ZND 08 (1925)] || Klakkebus (speelgoed gemaakt van vlierehout om proppen mee weg te schieten) [knaptoet, kraaktuut, proppesjeeter, klambös]. [N 06 (1960)]
III-3-2
|
| 19676 |
provisiekast, etenskast |
eetschap:
ēͅi̯ətšāf (Q253p Montzen),
etensschap:
èjətəsjaaf (Q253p Montzen),
schap:
šāf (Q253p Montzen),
spinde:
špiŋ (Q253p Montzen),
bewaarkamer
schpéŋ (Q253p Montzen),
vliegenschap:
vlēgəšāf (Q253p Montzen),
vliegenschrank:
vlēgeschrank (Q253p Montzen)
|
een schaprade, schapraai (etenskast) [ZND 06 (1924)] || spinde [ZND 07 (1924)]
III-2-1
|
| 20911 |
pruim |
chick:
sik (Q253p Montzen),
pruim:
prum (Q253p Montzen)
|
[ZND 34 (1940)]
I-7
|
| 18110 |
puistjes |
brobbels:
brubəl (Q253p Montzen)
|
Puistjes (bobbels, broebels, bulten). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 17594 |
pupil |
kindje:
kenṣə (Q253p Montzen)
|
Pupil: het donkere gedeelte van het oog dat wijder of nauwer wordt naarmate er meer of minder licht in valt (pupil, kijker, oogappel). [N 106 (2001)]
III-1-1
|