e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
processiestrooisel strooisel: sjtøjsəl (Montzen) Strooisel bestaande uit bloemen, stukgesneden stengels en bladeren en stroopsel van varens waarmee de straten versierd worden [sjtreupsel]. [N 96C (1989)] III-3-3
processievaantjes vaantjes: ??  vɛnsjərə (Montzen) De vaandeltjes die in de processiestoet worden meegedragen [persessieveendelkes]. [N 96C (1989)] III-3-3
profeet profeet: ənə profēt (Montzen) Een profeet [profieët]. [N 96D (1989)] III-3-3
pronkveer op een hoed pluim: -, plümke (Montzen), plüm (Montzen), veer: vèr, vèrəkə (Montzen) pluim [ZND m] || Pluim, pluimpje. [ZND 05 (1924)] III-1-3
propolis kit: kit (Montzen) Harsachtige stof waarmee de werkbijen alle openingen en naden van hun woning dichtkitten tegen tocht, kou en waterdamp. De propolis wordt ook gebruikt om te effenen en raten te versterken. De werksters halen deze stof uit bloemknoppen en harsdruppels van naaldbomen. Zelfs verf, teer of asfalt kunnen er de grondstof voor zijn. [N 63, 53a, N 63, 53b; Ge 37, 141; monogr.] II-6
proppenschieter knapbus: knabös (Montzen, ... ), knapbeus (Montzen) Een klakkebus (cilindervormig kinderspeeltuig van uitgehold vlierout, waarmede een prop wordt weggeschoten). [ZND 08 (1925)] || Klakkebus (speelgoed gemaakt van vlierehout om proppen mee weg te schieten) [knaptoet, kraaktuut, proppesjeeter, klambös]. [N 06 (1960)] III-3-2
provisiekast, etenskast eetschap: ēͅi̯ətšāf (Montzen), etensschap: èjətəsjaaf (Montzen), schap: šāf (Montzen), spinde: špiŋ (Montzen), bewaarkamer  schpéŋ (Montzen), vliegenschap: vlēgəšāf (Montzen), vliegenschrank: vlēgeschrank (Montzen) een schaprade, schapraai (etenskast) [ZND 06 (1924)] || spinde [ZND 07 (1924)] III-2-1
pruim chick: sik (Montzen), pruim: prum (Montzen) [ZND 34 (1940)] I-7
puistjes brobbels: brubəl (Montzen) Puistjes (bobbels, broebels, bulten). [N 109 (2001)] III-1-2
pupil kindje: kenṣə (Montzen) Pupil: het donkere gedeelte van het oog dat wijder of nauwer wordt naarmate er meer of minder licht in valt (pupil, kijker, oogappel). [N 106 (2001)] III-1-1