| 29040 |
bijsnijden |
bijsnijden:
bę̄jšniǝ (Q253p Montzen)
|
Het bijsnijden van de loopzool, het model eraan geven. [N 60, 103]
II-10
|
| 21102 |
bijten |
bijten:
1a-m
bī:tə (Q253p Montzen),
bī~tə(n) (Q253p Montzen),
bî.tə (Q253p Montzen)
|
bijten [ZND 21 (1936)]
III-2-3
|
| 29047 |
bijwerken van het paardehaar |
paardshaar rondom vortdoen:
pɛǝtshǭr rondøm vutduǝ (Q253p Montzen)
|
Het paardehaar van de binnenvulling aan de kanten en uiteinden verwijderen of fatsoeneren. [N 59, 185]
II-7
|
| 22763 |
bijzondere spelen met een priktol |
opwerpen:
opweͅərpə (Q253p Montzen)
|
Welke bijzondere spelen doen de kinderen met de priktol? Beschrijf kort. [ZND 16 (1934)]
III-3-2
|
| 22705 |
bikkel(s) |
titsknook:
tetschknook (Q253p Montzen)
|
De beentjes. [N R (1968)]
III-3-2
|
| 22704 |
bikkelen |
titsen:
t`etsje (Q253p Montzen),
tetsche (Q253p Montzen),
tétse (Q253p Montzen)
|
Het betreft een spel, dat vroeger vaak en met zeer veel plezier door de meisjes werd gespeeld. Het is een behendigheidsspel dat gespeeld wordt met vier beentjes uit de hiel van een schaap, geit of rund - of daarop gelijkende voorwerpen van koper, lood of [N R (1968)] || Kunt gij bikkelen? (meisjesspel: met de bikkels spelen, met de kootbeentjes, Fr. jouer aux osselets). [ZND 05 (1924)]
III-3-2
|
| 17652 |
bil |
bats:
ba.ts (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
bats (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen,
Q253p Montzen,
Q253p Montzen)
|
bil [ZND m], [ZND m] || Een bil (bats, bil) [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 31001 |
binnennaaiels |
lepelzuil:
lęǝpǝlzyl (Q253p Montzen)
|
De licht gebogen els die vooral voor het binnennaaien wordt gebruikt. De woordtypen schupels, schupjesels en lepelzuil wijzen op een els met een lepelvormig uiteinde. Zie afb. 41. [N 60, 177a; N 60, 177b]
II-10
|
| 30999 |
binnennaaien |
aannaaien:
āniǝnǝ (Q253p Montzen),
raam naaien:
rām niǝnǝ (Q253p Montzen),
raam opnaaien:
rām opniǝnǝ (Q253p Montzen)
|
Het aan binnenzool en overleer vastnaaien van de rand. Zie afb. 40. [N 60, 80b]
II-10
|
| 31000 |
binnennaaigroef |
voor:
vǭr (Q253p Montzen)
|
De sleuf die men maakt rondom de rand van de binnenzool om onder het binnenvlak, dat met de voetzool in aanraking komt en dus effen en glad moet blijven, door te naaien. Om de loopzool zo aan de schoen te naaien, dat er van de naad op het loopvlak niets te zien is, verzinkt men deze. Men snijdt daartoe een groef in het loopvlak, waarin de steken gelegd worden. [N 60, 106a]
II-10
|