| 28884 |
speldenkussen |
naaldenkussen:
nø̜ldǝkø̄sǝ (Q253p Montzen)
|
Kussentje waarop men de spelden en naalden steekt. De informant van Q 198 merkt op dat hij de naalden op zijn vest (kamizool) of op een stukje stof aan de muur speldde. Zie afb. 11. [N 59, 13a; N 62 68; L 45, 19; Gi 1.IV, 64; MW; monogr]
II-7
|
| 22383 |
spelen (alg.) |
spelen:
ech schpēl, dôw schpèls, ver schpè:le (Q253p Montzen),
ech späl, hä spält, vər späle (Q253p Montzen),
ich sjpèl, hèjə spèld, vèr spèlə (Q253p Montzen),
ich špēͅl, heͅ.ə špeͅ‧lt, vər špēͅlə (Q253p Montzen),
éch schpè:l, hèa schpèlt, ver schpè:le (Q253p Montzen)
|
Ik speel, hij speelt, wij spelen. [ZND 07 (1924)]
III-3-2
|
| 17719 |
sperma |
wiks:
wiks (Q253p Montzen)
|
Sperma: het mannelijke zaad (zaad, natuur, sperma, wieks) [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 24247 |
sperwer |
duivenstoter:
duvəstueter (Q253p Montzen),
kuikendief:
ky(3)̄kedēf (Q253p Montzen)
|
sperwer [ZND m]
III-4-1
|
| 28513 |
speurbijen |
speurbijen:
(enk)
špø̜ǝrbej (Q253p Montzen)
|
Werksters die een paar dagen voordat een bijenvolk gaat zwermen, gaan zoeken naar een nieuwe woning. Spleten en reten, holle bomen, schoorstenen en lege korven zijn mogelijke woonplaatsen. [N 63, 31a]
II-6
|
| 21373 |
spijbelen |
langs de school loetsen:
lengs gen schoel loetsche (Q253p Montzen),
langs de school lopen:
lans gən sjoe[oo}əl loopə (Q253p Montzen),
laŋs chen schuel lôpe (Q253p Montzen)
|
Spijbelen (de school ontlopen, achter de hagen schoolgaan). [ZND 07 (1924)]
III-3-1
|
| 31953 |
spijkeren |
nagelen:
nāgǝlǝ (Q253p Montzen),
nɛ̄gǝlǝ (Q253p Montzen)
|
Met een hamer spijkers in het hout slaan. [N 53, 152a-b; L 5, 7; monogr.]
II-12
|
| 30860 |
spijkertrekker |
trektang:
trektaŋ (Q253p Montzen)
|
Het speciale, ijzeren werktuigje om spijkers uit te trekken. Zie afb. 10. [N 60, 184c]
II-10
|
| 24379 |
spin |
spin:
špɛn (Q253p Montzen),
NOL, muv Q 199 en Q 200
špeͅ‧n. (Q253p Montzen)
|
spin [RND]
III-4-2
|
| 30895 |
spinaalgaren |
garen:
gān (Q253p Montzen)
|
Het fijne, gele of witte garen dat men veel gebruikt om het binnenwerk te naaien en waar men ook pekdraad van maakt. [N 60, 196b; N 60, 111c]
II-10
|