e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

Gevonden: 3044
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
bloedworst poettes: pōētēs (Montzen), pūtəs (Montzen), pū~təs (Montzen) bloedworst [N 06 (1960)], [ZND 21 (1936)], [ZND m] III-2-3
bloeien bloeien: blȳnǝ (Montzen), blø̄i̯ǝ (Montzen), blø̄nǝ (Montzen) De algemene uitdrukking voor het in bloei staan of bloesem dragen van planten en gewassen. In het materiaal-JG is uitdrukkelijk opgegeven dat het om het bloeien van koren gaat. In dit lemma worden de werkwoorden bijeengezet; in het volgende lemma komen de zelfstandige naamwoorden aan bod. [JG 1a, 1b; L A2, 373; L 32, 77, R 1, 37; monogr.] I-4
bloem (alg.) bloem: blu:mə (Montzen), bloemetje: blömke (Montzen) bloem [Heem 06.2-3 (1962)] || bloemen [RND] III-4-3
bloemkool bloemkool: bloomkuël (Montzen, ... ) bloemkool als gerecht [N Q (1966)] || bloemkool, als plant of gewas [N Q (1966)] I-7, III-2-3
bluts bluts: bløtsj (Montzen) Deuk: een buiging in een effen oppervlak door een stoot veroorzaakt (buts, duts, bluts, dumpel) [N 108 (2001)] III-1-2
blutsen blutsen: blö.tše (Montzen), blötṣe (Montzen) blutsen [ZND m] || De appels niet blutsen. [ZND 21 (1936)] III-1-2
bochel kroef: krôf (Montzen, ... ), pokkel: pu.kəl (Montzen), pukel (Montzen, ... ), pūkel (Montzen) bult [ZND 01 (1922)], [ZND m] || een bult (hoge rug, ook bultenaar) [ZND 01U (1924)] || Hij heeft een bochel. [ZND 21 (1936)] III-1-2
bode bode: bōͅ: (Montzen) bode [ZND 01 (1922)] III-3-1
boek boek: bō:k (Montzen), bū:k (Montzen) boek [ZND 21 (1936)], [ZND m] III-3-1
boeket boeket: bukét (Montzen) ruiker [ZND m] III-4-3