| 23764 |
vrijdagavond |
vrijdagavond:
dər vrīdəchoəvənt (Q253p Montzen)
|
De vrijdagavond. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23943 |
vrijdagskost |
vrijdagskost:
də vrīdəskōs (Q253p Montzen)
|
Het vleesloze eten, een vleesloze maaltijd op een onthoudings-dag ("vrijdagskost"). [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 20276 |
vroedvrouw |
hebamme (du.):
hébam (Q253p Montzen),
cf. VD D-N s.v. "Hebamme"(vroedvrouw)
hábam (Q253p Montzen),
wijsvrouw:
wisfrów (Q253p Montzen),
wīēsfrów (Q253p Montzen)
|
vroedvrouw [ZND 08 (1925)]
III-2-2
|
| 23276 |
vroegmis |
vroegmis:
vr"mēs (Q253p Montzen),
vry.me.s (Q253p Montzen)
|
De vroegmis [vreugmès, vreumes, vroemes?]. [N 96B (1989)] || vroegmis [RND]
III-3-3
|
| 21276 |
vrouw |
vrouw:
vroow (Q253p Montzen),
vrou (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
vrow (Q253p Montzen),
vruu (Q253p Montzen),
vruw (Q253p Montzen),
vrów (Q253p Montzen),
vrouwmens:
vromes (Q253p Montzen),
wijf:
wif (Q253p Montzen)
|
vrouw [RND], [RND], [ZND 04 (1924)], [ZND 11 (1925)]
III-3-1
|
| 34390 |
vrouwelijk schaap in het algemeen |
schaap:
šōp (Q253p Montzen),
šǭp (Q253p Montzen)
|
De benamingen voor "vrouwelijk schaap" beantwoorden vooral aan de drie woordtypen ooi/ooitje, germ/germpje en het algemene woord schaap. Ten aanzien van het woordtype germ kan men opmerken dat het woord in nogal wat plaatsen kan duiden op het vrouwelijk schaap dat nog niet gelamd heeft. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; R 3, 35; A 4, 22b; AGV, m3; L 1a-m; L 5, 30a; L 29, 32; L 20, 22b; L B2, 318; monogr.; S 23, Q 113 add.]
I-12
|
| 34308 |
vrouwelijk varken |
kriem:
krēi̯m (Q253p Montzen),
krēm (Q253p Montzen),
zou:
zōu̯ (Q253p Montzen)
|
Vrouwelijk varken. Ten aanzien van gelt wordt opgemerkt dat het synoniem is met zeug (L 416), dat het een vrouwelijk, niet gedreven varken is (L 312, 353), dat het een vrouwelijk varken is dat niet dient voor de kweek (L 282, 286, 313, 315, 316, 354, 355, 356) of juist wel voor de kweek is bestemd (K 278). Verder kan het een oud woord zijn voor de zeug (L 354, 355) en kan het op een gesneden, vrouwelijk varken duiden (L 312). Oorspronkelijk duidde gelt op het gecastreerde vrouwelijk varken. In de loop van deze eeuw is men gelt ook gaan gebruiken voor het vrouwelijk varken. [L 20, 4a; L 14, 13; L 3, 2a; JG 1a, 1b, 1c, 1d, 2c; A 4, 4c; Wi 9; NE 1, 12; NE 2.I.8; AGV K1; R XII, 46; Gwn 5, 11; N M, 22 add.; N C, add.; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 19961 |
vrouwelijke hond, teef |
foetel:
futəl (Q253p Montzen),
fū.təl (Q253p Montzen),
fūtəl (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
teef: een vrouwelijke hond [GV K (1935)] || vrouwelijke hond [ZND 03 (1923)]
III-2-1
|
| 34473 |
vrouwelijke kip |
hoen:
hūn (Q253p Montzen)
|
De hen is het wijfje van het tamme huishoen. [N 19, 37; Wi 13; Wi 14; Wi 17; NE II, 10; Gwn 5, 14; A 11, 1c; A6, 1b; L 6, 20a; L 22, 22; L 28, 35; L 42, 5; L 33, 20; L 34, 12; L 34, 13; JG 1a, 1b; S 14; L 1a-m; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 23362 |
vrouwenkant |
epistelzijde:
de epistelzij (Q253p Montzen)
|
De rechterhelft van de kerk, het gedeelte rechts van het middenpad, dat bestemd was voor de vrouwen [epistelkant, vrouwenkant, vrouwliekant?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|