| 23934 |
zondag houden |
zondag heiligen:
dər zōndəX heləgə (Q253p Montzen),
zondag vieren:
dər zōndəX vīrə (Q253p Montzen)
|
De zondag houden/vieren/eerbiedigen/heiligen. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23810 |
zondag voor pinksteren |
zondag voor pinksten:
dər zōndəch v"r pēŋstə (Q253p Montzen)
|
De zondag vóór Pinksteren (Rozenzondag). [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23534 |
zondagmissaal |
zondagsmissaal:
dər zondəsmisɛl (Q253p Montzen)
|
Een kerkboek met misgebeden voor de zondagen en feesten van het kerkelijk jaar [zondagsmissaal(tje)?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23935 |
zondagschender |
zondagsschender:
dər zōndəssjɛndər (Q253p Montzen)
|
Iemand die zich niet houdt aan de zondagsrust (zondagschender). [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23339 |
zonde |
zonde:
ən zøŋ (Q253p Montzen)
|
Een zonde [zund, zung]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 28688 |
zonnewassmelter |
wassmelter:
wāsšmeltǝr (Q253p Montzen)
|
Gesloten, glazen bak waarin de was door de warmte van de zon gesmolten wordt. De imker kan stukken ruwe raat in een zak van kaasdoek knopen en deze met een steen verzwaard in een grote pan op het vuur zetten. Geleidelijk komt de was door de poriën van de doek bovenop het water drijven. Na afkoeling heeft men dan waskoek. Men kan de ruwe raat echter ook zuiveren met een zonnewassmelter, een soort broeikasje met een deksel van dubbelglas, waarin de stukken ruwe raat worden uitgespreid in een metalen bak met schuine bodem (De Roever, pag. 284). De gesmolten was loopt omlaag in een lekbakje dat met metaalgaas is afgedekt. De zon bleekt de was en oververhitting is op deze wijze niet mogelijk. Men kan echter maar kleine hoeveelheden ruwe raat tegelijk verwerken met de zonnewassmelter. De informant van Q 3 vermeldt dat in zijn plaats deze smelter niet werd gebruikt. [N 63, 129a; N 63, 128b; monogr.]
II-6
|
| 30978 |
zool |
zool:
zǭl (Q253p Montzen)
|
Ondervlak van schoeisel, dat deel waarop men loopt. [N 60, 76; N 60, 233a]
II-10
|
| 18342 |
zool van een schoen |
lap:
lap (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen,
Q253p Montzen),
zool:
zōl (Q253p Montzen),
zò:l (Q253p Montzen),
Soorten: brantzool, tösjezool.
zōl (Q253p Montzen)
|
De zool van een schoen in het algemeen (welke soorten?) [N 60 (1973)] || Een halve zool (halfzool, halflap?) [N 60 (1973)] || Het voorste gedeelte van de schoen wat betreft het loopvlak (balpartij? terd? tree? trap? tred?) [N 60 (1973)] || Hoe noemt men in het algemeen alle onderdelen van de schoen die evenwijdig lopen aan de onderkant van de voet? (zool?) Vgl. tek. 3 [N 60 (1973)] || Zool (van schoen) [ZND m]
III-1-3
|
| 30833 |
zoolleer |
zolenleer:
zǭlǝlę̄r (Q253p Montzen)
|
Dik, stevig leer voor zolen van schoenen. Volgens de informant van L 163a gaat het hier om kuipgelooid leer, d.w.z. leer dat lange tijd met gemalen eikeschors, de run, in een kuip heeft gelegen. Croupon is het deel van de huid, de rug, dat het sterkste en dikste leer levert en dat zeer geschikt is als zoolleer. [N 60, 2a; N 60, 247]
II-10
|
| 30834 |
zoolleersoorten |
flank:
flaŋk (Q253p Montzen),
hals:
hǭs (Q253p Montzen),
kernleer:
kęǝnlę̄r (Q253p Montzen),
koeleer:
kōlę̄r (Q253p Montzen),
rindleer:
rentlę̄r (Q253p Montzen),
zijden van een huid:
zi-jǝ van ǝn hūt (Q253p Montzen)
|
Leersoorten die voor de onderzijde van de schoenen worden gebruikt. Volgens de informant van Q 253 werden deze eertijds steeds plantaardig gelooid, terwijl de informant van Q 32 ten aanzien van rindsleer opmerkt dat het meestal met zout gelooid werd. Onder vachelooiing verstaat men looiing van zoolleer door middel van plantaardige extracten in draaiende vaten. [N 60, 2b; N 60, 247]
II-10
|