| 34258 |
boter |
botter:
botǝr (Q253p Montzen)
|
Het bovengedreven vet op de melk. Dit is het eindprodukt van het karnen. [N 12, 51, 52, 55, 58 en 61; JG 1a, 1b; L 1a-m; L 1u, 114; L 20, 26b; L 22, 8; L 27, 67 en 69; S 4 en 17; A 4, 26a en 26b; A 7, 19, 21, 22 en 23; A 9, 15b; A 16, 8a; A 28, 7; N 5A (I]
I-11
|
| 33299 |
boterbloem |
boterbloem:
botǝrblōm (Q253p Montzen)
|
Ranunculus L. Een plantengeslacht dat, samen met de (water)ranonkel, uit allerlei verschillende soorten bestaat waarvan sommige inmiddels zeldzaam zijn, zoals de akkerboterbloem (Ranunculus arvensis L.) die vroeger in veel Limburgse akkers voorkwam. In het gebied van het WLD zijn de scherpe (Ranunculus acris L., hierbij afgebeeld), de kruipende (Ranunculus repens L.) en de blaartrekkende (Ranunculus sceleratus L.) boterbloem vrij algemeen en in mindere mate de knolboterbloem (Ranunculus bulbosus L.), de egelboterbloem (Ranunculus flammula L.) en de behaarde boterbloem (Ranunculus sardous Crantz.). De meeste van deze soorten hebben (goud- tot bleek-)gele bloemen en groeien op weilanden, bermen, oevers en andere min of meer vochtige bodem. Ze bloeien van april of mei tot september en worden van ongeveer 10 tot 50 cm hoog. Voor zover mogelijk is de bedoelde soort apart aangegeven. [A 60A, 40, 60, 61, 104; monogr.]
I-5
|
| 20637 |
boterham |
bot:
verzamelfiche, ook mat. van ZND 3 vraag 9
bât (Q253p Montzen),
boterham:
verzamelfiche, ook mat. van ZND 3 vraag 9
boterham (Q253p Montzen),
botram (Q253p Montzen),
bŏŏtəram (Q253p Montzen),
b’ŏtram (Q253p Montzen)
|
boterham [ZND 32 (1939)]
III-2-3
|
| 20885 |
boterhamworst |
schinkenworst:
sjinkewòòsj (Q253p Montzen)
|
hamworst /schinken- [N 06 (1960)]
III-2-3
|
| 28908 |
boutijzer |
strijkijzer met (losse) klotsen:
štrīkīzǝr męt (lōs) kløts (Q253p Montzen)
|
Een hol strijkijzer met losse bouten erin, die verwarmd moeten worden. De informant van K 361 vermeldt dat dit eigenlijk een ijzer voor de naaister is, omdat het lichter is dan het persijzer. De informant van L 416 geeft aan dat de bouten in een kachel verwarmd worden. Voor de informant van Q 99 is het een onbekend ijzer. [N 59, 21b; N 59, 20]
II-7
|
| 28461 |
bouwen |
bouwen:
bowǝ (Q253p Montzen)
|
Het maken van de wasraat door de bijen. Steeds begint de zwerm met het bouwen van de werkbijenraat, het zogenaamde fijn werk. Vervolgens gaat ze over tot het maken van grof werk of darrenraat. Normaal bouwt de zwerm van boven naar beneden d.w.z. de punt van de zeshoek wijst naar beneden, maar ze kan ook andersom werken. Onder alle omstandigheden blijft de zwerm echter efficiënt werken. [N 63, 16a; Ge 37, 54]
II-6
|
| 33644 |
bouwland |
land:
lant (Q253p Montzen),
lā.nt (Q253p Montzen),
veld:
vē̜.lt (Q253p Montzen),
vę.lt (Q253p Montzen),
vɛ̄.lt (Q253p Montzen)
|
Voor de akkerbouw gebruikt land, het geheel van akkers. [N 6, 33a; N 27, 3a; N 5AøIIŋ, 95a, 95b en 95c; N 11, 1a; L 31, 18; L 19, 1a; L 37, 11b; L a1, 113; L 4, 38; JG 1a, 1b; A 3, 38; A 10, 4; A 20, 1b; Wi 7; S 49; RND 4, 7, 8 en 10, r.37; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 29058 |
bovenkraag |
overkraag:
øvǝrkrāx (Q253p Montzen)
|
Het buitenste of bovenste gedeelte van de kraag dat in het zicht komt. [N 59, 121a]
II-7
|
| 17618 |
bovenlip |
overste lip:
dər øvəṣtə lep (Q253p Montzen)
|
Bovenlip (bovenlip, bovenste lip) [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 25076 |
bovenmate, hevig, zeer |
heel:
hê.l (Q253p Montzen)
|
heel (graadwoord) [ZND m]
III-4-4
|