e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

Gevonden: 3044
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
braden braden: brōͅ:nə (Montzen), vlê.š brōͅ:nə (Montzen) vlees braden en vlees bakken [ZND 22 (1936)], [ZND m] III-2-3
braken braken: brèàke (Montzen), gobbelen: göbele (Montzen), kotsen: kòtse (Montzen), overgeven: övergè:ve (Montzen) braken (overgeven, kotsen) [ZND m] III-1-2
branden berren: beͅə.nə (Montzen), bɛə.nə (Montzen) branden [ZND 01 (1922)] III-2-1
brandhout vinkelhout: vöŋkəlhôt (Montzen) [ZND m] I-7
brandkast in de sacristie coffre-fort (fr.): der kòfrefaort (Montzen) De brandkast, kluis of safe, waarin de heilige vaten bewaard worden. [N 96A (1989)] III-3-3
breedte breedte: brejdǝ (Montzen), bręjdǝ (Montzen) Benaming voor een horizontaal genomen maat, voor of achter, in het bijzonder als tweede lid van samenstellingen als rugbreedte en armbreedte. [N 59, 45a; N 62, 2b; N 59, 44a] II-7
breien strikken: hōͅ‧zə štre.kə (Montzen), stréke (Montzen) Breien. [ZND m] || Kousen breien. [ZND 22 (1936)] III-1-3
breinaald strikdraad: štrektrōt (Montzen) Hoe heten de stalen pennen waarmee gebreid wordt? [ZND 22 (1936)] III-1-3
brengen brengen: bri̯.ŋə (Montzen) brengen [ZND m] III-1-2
bretel help: hēͅ.ləp (Montzen), hɛləpə (Montzen) de bretels [N 59 (1973)] || Hosenträger. [draagband om een broek op te houden (fr. bretelle)] [ZND m] III-1-3