| 17682 |
ader |
ader:
də ōͅ:rə van də šteͅə.r (Q253p Montzen),
ōͅ:r (Q253p Montzen),
ən ōͅ:r o.pšnijə (Q253p Montzen)
|
ader [ZND m] || de aderen van zijn voorhoofd [ZND 19 (1936)] || een ader opensnijden [ZND 19 (1936)]
III-1-1
|
| 23767 |
advent |
advent (<lat.):
advɛ̄nt (Q253p Montzen)
|
De tijd van vier zondagen voor Kerstmis (Advent, kleine vasten). [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 28504 |
afbijten van koninginnecellen |
afsteken:
āfštęǝkǝ (Q253p Montzen)
|
Het verwijderen van overtollige koninginnecellen door het bijenvolk of de koningin zelf. [N 63, 65]
II-6
|
| 19803 |
afdak |
schop:
šop (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen,
Q253p Montzen),
schotsbarak:
šots˂brak (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen,
Q253p Montzen),
schuilhuisje:
šūlhøskə (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen,
Q253p Montzen)
|
afdak [ZND 01 (1922)], [ZND 06 (1924)], [ZND 12 (1926)]
III-2-1
|
| 25913 |
afdraaien |
draaien:
driǝnǝ (Q253p Montzen)
|
De ketel van het vuur afdraaien door middel van de draaiboom. [N 57, 28]
II-2
|
| 29049 |
afdunnen |
uitdunnen:
ūtdønǝ (Q253p Montzen)
|
Bewerking van de watten voor de schouder, waarbij de dikte van de watten naar de kant toe wordt verminderd. [N 59, 117a]
II-7
|
| 34247 |
afgeroomde melk |
afgelaten melk:
afxǝlōtǝ mɛlk (Q253p Montzen)
|
De vloeistof die overblijft als de melk ontroomd is. [A 7, 15 en 17; A 23, 4a; L 27, 29; JG 1a, 1b; L 1u, 103; Lu 1, 3 en 4a; monogr.]
I-11
|
| 23965 |
afgunst |
afgunst:
āfgonst (Q253p Montzen)
|
Afgunst, jaloezie. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23966 |
afgunstig |
afgunstig:
āfgønstəX (Q253p Montzen)
|
Afgunstig. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 17583 |
afhangend kuifje (bij kortgeknipt haar) |
frou-frou (fr.):
køət hōr meət ənə frufru (Q253p Montzen)
|
Kortgeknipt haar met alleen van voor een afhangend kuifje (ponnie, fru(fru), bles, stroef, kapoel). [N 109 (2001)]
III-1-1
|